1.Armoede
in België.
Armoede en sociale uitsluiting in België stijgt .Alle
armoede-indicatoren staan op rood . De laatste cijfers van EU-SILC ( European Union –Statistics
on Income and Living Conditions) vertellen ons dat in 2011 ongeveer 15,3 % van
de bevolking in België moest leven met een inkomen onder de Europese
armoedegrens. Dit betekent dat 1 op 7 of ongeveer 1.656.800 personen in België in armoede
leven of een zeer groot risico hebben om in armoede terecht te komen.
Mensen
in armoede ervaren achterstellingsituaties en sociale uitsluitingen met
structurele oorzaken op de levensdomeinen huisvesting en energie en water , inkomen en tewerkstelling,
maatschappelijke dienstverlening, onderwijs, gezondheidszorg, enz….
Problemen op één levensdomein
beïnvloeden en versterken de moeilijkheden op andere levensdomeinen en kunnen
op zich nieuwe achterstellingsituaties en sociale uitsluitingen veroorzaken.
2.
Energiearmoede.
2.1.
Definitie energiearmoede.
Binnen de
EU werd energiearmoede of ‘fuel poverty’
voor het eerst getheoretiseerd in 1990 in het Verenigd
Koninkrijk.
Een
mijlpaal met betrekking tot energiearmoede
is het boek ‘Fuel Poverty: from cold homes to affordable warmth’ van de
Britse Brenda Boardman (1991).
Later, in
2001 kwam energiearmoede pas echt op de politieke agenda in het Verenigd
Koninkrijk via de goedkeuring van de ‘UK Fuel Poverty Strategy’ . In dit
document werd de volgende definitie van energiearmoedeopgenomen:
‘A fuel poor household is one that cannot afford to
keep adequately warm at reasonable cost. The most widely accepted definition of
a fuel poor household is one which needs to spend more than 10% of its income
on all fuel use to heat its home to an adequate standard of warmth. This is
generally defined as 21ºC in the living room and 18ºC in the other occupied
rooms – the temperatures recommended by the World Health Organisation.’
Op deze
definitie en deze die hier later op voortbouwde kwam echter kritiek. Later, in
2008 werd er een nieuwe definitie geformuleerd die ook door Jan Vranken steeds
naar voren wordt geschoven als we spreken over energiearmoede.
‘Een
persoon, lid van een huishouden , is in energiearmoede wanneer hij/zij
bijzondere moeilijkheden ondervindt in zijn/haar woonst om zich te voorzien van
energie die noodzakelijk is om zijn/haar elementaire noden te bevredigen.’
(Vranken,
Huybrechts, Meyers 2011:42 )
Deze
definitie is ruimer ,maar duidt niet alle oorzaken aan.
Het
Vlaams netwerk tegen armoede en de dialoogwerkgroep Energie en Armoede van
Samenlevingsopbouw Antwerpen , die al vele jaren werken rond energiearmoede,
kwamen tijdens hun werk meer en meer
mensen in armoede tegen die ook knelpunten en sociale uitsluitingen
ervaren op het gebied van nutsvoorziening water.
Dit
resulteerde in het feit dat het Vlaams
netwerk tegen Armoede en Sector Samenlevingsopbouw energiearmoede nu zien als
onvoldoende toegang tot nutsvoorzieningen elektriciteit , gas en water en dit
door knelpunten en sociale uitsluitingen met structurele oorzaken.
2.2.
Oorzaken en cijfers .
2.2.1.
Huisvesting.
Huisvesting
is een van de belangrijkste oorzaken van energiearmoede. Mensen in armoede komen in aanmerking voor
een sociale woning. Een deel van de mensen in armoede wonen ook effectief in
een sociale woning of in een wooneenheid dat verhuurd wordt via een sociaal
verhuurkantoor ( SVK) . De
sociale woningen zijn vaak in minder goede staat. Zeker de sociale woningen die
in de jaren ’70 en ’80 zijn gebouwd voldoen niet aan de huidige eisen op het
gebied van energiezuinigheid. Oudere sociale woningen zijn onvoldoende
geïsoleerd, soms hebben ze nog enkel glas en vertonen ze zichtbare structurele
gebreken.
De
toegang tot sociale woningen is momenteel niet volledig gegarandeerd. Er staan
momenteel ongeveer 91 926 mensen op de wachtlijst( cijfer 2011). Wachttijden
van 5 a 7
jaar zijn geen uitzondering.
Hierdoor
wonen heel wat mensen in armoede is een woning op de private huurmarkt . De
huurprijs is er hoog ,de huurwaarborg onbetaalbaar
.
Mensen in
armoede komen in het onderste segment van deze private huurmarkt terecht en
wonen vaak in wooneenheden met
structurele tekorten op het gebied van woonkwaliteit.
De
structurele gebreken die kunnen voorkomen zijn : groezelige en slecht verlichte
gangen, te kleine huisvesting, versleten raamwerk, enkel glas, slecht sluitende
vensters , tochtende vensters , rottend raamwerk, vochtplekken , schimmel op
muren, het binnen sijpelen van water via het plafond/dak als het regent,slechte
isolatie, elektrocutiegevaar, gevaar co-vergiftiging, enz…….
Deze
structurele tekorten op het gebied van woonkwaliteit zorgen ervoor dat het meer energie vraagt om
de ruimtes warm te krijgen. Er moet dus
meer verwarmd worden, waardoor dat de energiefactuur stijgt.
Toegang
tot nutsvoorzieningen elektriciteit , gas en water zijn verder ook grotendeels
gelinkt aan huisvesting. Dreigende en
effectieve uithuiszetting zet de toegang tot nutsvoorzieningen elektriciteit ,
gas en water ernstig onder druk. Mensen die in een daklozensituatie
terecht komen verliezen grotendeels hun
toegang tot nutsvoorzieningen elektriciteit , gas en water.
2.2.2.
Sociale openbare dienstverplichtingen energiemarkt.
Sinds 1996, met onder andere de implementatie van de lokale
adviescommissie ( LAC) , nam de Vlaamse overheid initiatieven in de strijd
tegen energiearmoede.
Later, na
de liberalisering van de energiemarkt in 2003 heeft de Vlaamse regering in
verschillende stappen verder gezorgd
voor een sociaal vangnet: de sociaal openbare dienstverplichtingen.
- Gratis kWh elektriciteit.
- Sociale maximumprijs en statuut beschermde klant.
- Procedure wanbetaling.
- Afsluiting en Lokale Adviescommissie (LAC)
- De budgetmeter
- Schuldafbouw in de budgetmeter.
- Minimale levering van aardgas bij de aardgasbudgetmeter tijdens de winter.
- 10 ampère minimale levering elektriciteit.
- Winterperiode waarin niet mag afgesloten worden.
Meer informatie over de sociale openbare
dienstverplichtingen vind je via deze link :
Een
groeiend aantal mensen kunnen hun
facturen bij de commerciële energieleverancier niet meer betalen en moeten een
afbetalingsplan aanvragen. Zo’n 70.893
gezinnen of 2,75% gingen in 2010 een afbetalingsplan aan met hun leverancier.
De
commerciële energieleveranciers mogen eenzijdig beslissen of ze een
afbetalingsplan toestaan en mogen ook zelf het maandelijkse afbetalingsbedrag
kiezen. Dit zorgt vaak voor onrealistische afbetalingsplannen.
Door de
onzekere inkomenssituatie , de sociale uitsluiting en de complexiteit van een
leven in armoede moeten mensen soms moeilijke keuzes maken en kunnen ze niet
altijd het afgesproken afbetalingsplan nakomen. Als huishoudelijke afnemers hun
afbetalingsplan niet nakomen, dan mogen commerciële energieleveranciers het
contract stopzetten .
Mensen
hebben dan 60 dagen de tijd om een contract af te sluiten met een nieuwe
commerciële energieleverancier. Door diverse uitsluitingen is dit vaak heel
moeilijk.
Hierdoor
komen ze vaak bij de netwerkbeheerder terecht, waar de energieprijzen gemiddeld
10 tot 15 % hoger liggen dan op de commerciële energiemarkt.
In 2011 kregen 87.869 gezinnen hun elektriciteit en/of aardgas van de netbeheerder beleverd.
In 2011 kregen 87.869 gezinnen hun elektriciteit en/of aardgas van de netbeheerder beleverd.
Ook bij
de netwerkbeheerders voor elektriciteit en
gas vragen meer en meer mensen een afbetalingsplan aan. Wanneer mensen bij de
netwerkbeheerder hun afbetalingsplannen niet kunnen nakomen worden ze
geconfronteerd met de plaatsing van een budgetmeter voor elektriciteit en/of
aardgas.
Het
aantal mensen in Vlaanderen dat geconfronteerd worden met de plaatsing van een
budgetmeter voor elektriciteit en/of aardgas stijgt.
Ook de prijs
van elektriciteit en gas bij een budgetmeter ligt hoog en is het
gemiddelde van de 2 grootste ( en ook duurste) commerciële energieleveranciers.
Het
aantal geplaatste en actieve budgetmeters voor elektriciteit op 01 januari 2010
bedroeg in Vlaanderen 37 544. Tegen het einde van 2010 was dit gestegen tot 41
200 budgetmeters.
Het
aantal naakte budgetmeters voor
elektriciteit , waar de stroombegrenzersfunctie 10 ampère werd uitgeschakeld,
bedroeg in 2010 2028.
In Vlaams-Brabant waren er eind 2010 zo’n 5494
geplaatste actieve budgetmeters voor elektriciteit. Dit is een stijging
tegenover het begin van 2010.
Op 01/01/2010 waren er 4 488 geplaatste en actieve
budgetmeters voor aardgas in Vlaanderen.
Op 01/01/2012 waren er 24 190 geplaatste en actieve budgetmeters voor aardgas.
Dit betekent dat de afgelopen 2 jaar
19702 bijkomende aardgasbudgetmeters zijn geplaatst .De implementatie
van de budgetmeter voor aardgas startte in 2009. Er is dus duidelijk een
inhaalbeweging bezig.
In Leuven waren er in 2011 zo’n 448 actieve budgetmeters
( = die voor elektriciteit en gas te samen) , vooral bij mensen zonder sociale maximumprijs.
Er is een groeiend probleem
met de budgetmeters voor aardgas. Wanneer je uw budgetmeter voor elektriciteit
( tijdelijke) niet kunt opladen kom je eerst op een noodkrediet terecht en kan
je later ( tijdelijk) gebruik maken van
een minimumlevering van 10 ampère. Bij een budgetmeter voor aardgas is een minimumlevering
voorlopig niet mogelijk, met schrijnende levensomstandigheden en groeiende
energiearmoede tot gevolg. Op 24 september 2010 nam de Vlaamse regering
bijkomende maatregelen: mensen die hun budgetmeter voor aardgas niet kunnen
opladen kunnen bij het OCMW terecht en na een sociaal onderzoek kan het OCMW
beslissen om een minimumhoeveelheid
aardgas ter beschikking te stellen. Uit gesprekken met mensen in armoede
blijkt dat niet iedereen op de hoogte is
van deze maatregel.
De
distributienetbeheerder kan een dossier voor de lokale adviescommissie ( LAC
) brengen met de vraag om een afnemer
van gas of elektriciteit af te sluiten.
In 2010 kwamen 410 dossiers met
betrekking tot elektriciteit en gas voor het LAC in Leuven. Dit is een daling
tegenover 2009 , toen 516 dossiers voor het LAC kwamen. Dit betekent niet
noodzakelijk dat er minder mensen zijn die te maken krijgen met energiearmoede.
Als er op voorrand een oplossing bereikt wordt komt het dossier niet voor de
LAC.
Voor heel Vlaams-Brabant werden er in 2010 zo’n 3 602 dossiers door de LAC’s behandeld
en werden 214 huishoudelijke afnemers
afgesloten.
2.2.3. Toegang tot water .
Water is
levensnoodzakelijk. Iedereen heeft water nodig om te drinken, om eten klaar te
maken, voor je kleren te wassen, om jezelf te kunnen wassen, enz….
Meer en
meer mensen in België ervaren sociale uitsluitingen op het vlak van toegang tot
nutsvoorziening water. Een groeiend aantal mensen hebben problemen met het
betalen van hun 3 maandelijkse voorschotfacturen en hun eindfacturen. Meer en
meer mensen moeten een afbetalingsplan aanvragen.
Ook de Lokale AdviesCommissies ( LAC) zien het
aantal zaken voor water stijgen. Tijdens de periode 2006-2009 werden er in
Vlaanderen in totaal 21.547 vragen tot afsluiting gesteld aan Lokale
AdviesCommissies.
In
Leuven kwamen er in 2010 zo’n 218 dossiers met betrekking tot water voor het
LAC . Dit is een forse stijging
tegenover 2009 toen er 119 dossiers voor het LAC kwamen.
Verder is in Vlaanderen een duidelijke stijging waar te nemen
betreffende het aantal huishoudelijke afnemers die werden afgesloten van
nutsvoorziening water.
In 2009 werden 791 gezinnen afgesloten. In 2010 waren dat 2362 gezinnen.
In 2011 waren er dit 4 497.
Met
betrekking tot water moeten we vaststellen dat er niet zo’n uitgebreid pakket
sociale openbare dienstverplichtingen zijn zoals op de energiemarkt.
2.2.4.
Inkomen.
Mensen in armoede hebben een inkomen ( hetzij uit werk
of een sociale uitkering) dat zich onder de Europese armoedegrens bevindt.
De
Europese armoedegrens voor België is voor een alleenstaande 1000 euro per maand
, voor een gezin bestaande uit 2 volwassenen en 2 kinderen 2.101 euro per maand
en voor een alleenstaande met kinderlast ligt dit rond de 1500 euro.
Het
leefloon/leefgeld bevindt zich onder de Europese armoedegrens. Door de
versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen zullen ook de
werkloosheidsuitkeringen voor langdurige werkzoekenden zakken tot een
minimumbedrag dat zich onder deze Europese armoedegrens bevind.
Leefloon
alleenstaande 785,61 euro ( minimumwerkloosheidsuitkering
alleenstaande 916, 24 euro ) , leefloon personen met gezinslast leefloon 1.047,48 euro ( minimumwerkloosheidsuitkering
persoon met gezinslast 1090,70 euro) en leefloon samenwonenden 523,74 euro (
minimumwerkloosheidsuitkering samenwonenden 483,36 euro ).
Mensen in
armoede zijn vaak laaggeschoold , vinden moeilijk werk en hebben hierdoor dus
een onzekere arbeidsloopbaan: interimwerk, ze zijn vaak tewerkgesteld in
conjunctuurgevoelige sectoren en sociale economieprojecten. Deze tewerkstelling
wordt vaak afgewisseld door ( lange) periodes van werkloosheid.
Hun
beperkt inkomen zorgt ervoor dat mensen in armoede geconfronteerd worden met
het aangaan van overlevingsschulden ( huur, verwarming en water,
gezondheidszorg,…
2.2.5. Maatschappelijke dienstverlening.
Mensen
die armoede en sociale uitsluiting ervaren moeten door hun maatschappelijke
kwetsbare positie en een gebrek aan een groot extern sociaal netwerk vaker een beroep doen op maatschappelijke
instellingen zoals het OCMW.
Mensen in armoede vinden het vaak enorm moeilijk om
de stap te zetten naar een maatschappelijke instelling zoals het OCMW.
Er is een
kloof tussen de leefwereld van maatschappelijke werkers en het OCMW en
de leefwereld van mensen die armoede en sociale uitsluiting ervaren. Sommige
maatschappelijk werk(ers)sters hebben
onvoldoende kennis van de belevingswereld van mensen in armoede: de gevoelens
van schaamte en vernedering om telkens opnieuw hulp te vragen, de
schuldgevoelens, het minderwaardigheidsgevoel, enz….
In december 2011 ging er een ervaringsdeskundige in
de armoede en sociale uitsluiting aan de slag bij het OCMW van Leuven.
2.2.6.
Toegang tot informatie, scholing, vaardigheden,…
De
liberalisering van de energiemarkt heeft het er niet gemakkelijker op gemaakt,
zeker niet voor mensen in armoede.
Dit geldt onder andere op het gebied van
informatie. Er is
heel wat informatie aanwezig , maar deze is niet altijd aangepast aan
maatschappelijk kwetsbare mensen. Laaggeschoolde en laaggeletterde mensen
hebben het vaak moeilijk om hun weg te vinden in het administratieve doolhof
van onze huidige energiemarkt en de rest van onze complexe samenleving.
Heel wat
informatie is terug te vinden op het internet. Sommige mensen in armoede hebben
zich bepaalde vaardigheden niet of onvoldoende eigen kunnen maken, zoals
bijvoorbeeld computervaardigheden.
2.2.7.
Energiebesparing.
De
stijgende energiearmoede en de
wereldwijde klimaatverandering plaatsen
de Federale , de Gewestelijke en de
gemeentelijke overheden en ons allemaal voor enorme uitdagingen.
Het
verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen en de structurele woonkwaliteit is een enorm belangrijk aspect
bij het preventief werken rond energiearmoede.
We moeten
echter vaststellen dat mensen in armoede meestal huren en vaak wonen ( zeker op
de private huurmarkt) in woningen met
structurele gebreken op het vlak van woonkwaliteit. Hierdoor stijgt de
energiefactuur. Aangezien ze huren ,hebben ze weinig hefbomen in handen om hier
zelfs iets aan te doen.
Toch
kunnen mensen in armoede ( en ze doen dit ook ) via toegankelijke
energiebesparende maatregelen hun energie- en waterfactuur naar omlaag halen.
Een interessante methodiek hier is de energiescan . In Leuven voert de ecoploeg
van de vereniging waar armen het woord nemen Leren Ondernemen ( www.lerenondernemenvzw.org )
energiescans uit.
Speciaal opgeleide mensen uit kansengroepen gaan bij mensen
in armoede thuis om samen met hen te werken rond energie- en waterbesparing.
Tijdens een huisbezoek, worden allerlei handige tips gegeven om zelf te
besparen en worden ook kleine maatregelen (spaarlampen, radiatorfolie,
spaardouchekop, ...) onmiddellijk en gratis
toegepast.
De scans
vormen de basis van waaruit Leren Ondernemen mensen in armoede begeleiden in
het aanpakken van woon- en energiearmoede. In het verleden kreeg dit vorm in
een huisvestingsproject, een waterproject, een totaalscanproject en momenteel
in er een onderzoek naar integrale begeleiding in samenwerking met Woonwijzer
Meetjesland en KOMOSIE.’ , kunnen we over de ecoploeg lezen op de website van
Leren Ondernemen.
3.
Mogelijke oplossingen.
Bij het hoofdstuk ‘Mogelijke oplossingen’ schuif ik
per levensdomein een aantal beleidsvoorstellen van sociale organisaties en
Groen naar voren. Aangezien ik aandacht heb voor de situatie in Leuven ( en
Vlaams-Brabant) schuif ik ook een aantal voorstellen op Leuvens niveau naar
voren.
3.1.
Huisvesting.
·
De verschillende
overheden moeten investeren in bijkomende sociale huisvesting.Tegen 2023 wil de Vlaamse regering
45.000 nieuwe sociale huurwoningen bouwen. Dit is echter ontoereikend.
Bijkomende inspanningen zijn nodig.
·
Groen
Leuven gaat voor 10% sociale woningen. In Leuven is de voorbije jaren het
relatieve aandeel aan sociale woningen gedaald, van 7,67% in 2006 tot 6,88%
(cijfers 2010, uit de Stadsmonitor). Groen Leuven voorstander van een blijvende
uitbreiding van het aantal sociale woningen. Groen wil het aanbod van
kwalitatieve sociale huisvesting verhogen en de wachtlijsten verminderen, met
nadruk op kleinschalige wijkprojecten.
·
Een
uitbreiding van het aantal wooneenheden dat verhuurt wordt via een sociaal
verhuurkantoor.
·
Naast
de gewestelijke huursubsidies komt het OCMW nu al in bepaalde gevallen tegemoet
in de huurwaarborg van lage inkomens. Groen Leuven wil aanvullende lokale
huursubsidies om de private huurmarkt toegankelijk te maken voor lage inkomens.
Een noodzakelijke voorwaarde is dat er tegelijk werk gemaakt wordt van een
uitbreiding van het aantal sociale woningen en investeringen in de betaalbaarheid
en kwaliteit van de privé huurmarkt. Een huursubsidie moet een hulp zijn voor
de huurder met een laag inkomen, maar mag geen subsidie van eigenaars zijn.
Daarom wil Groen als voorwaarde opleggen dat de woning gehuurd wordt via een
sociaal verhuurkantoor of aan de richthuurprijs.
·
Een ambitieus
woningvernieuwingsprogramma om de structurele gebreken weg te werken. De energetische kwaliteit van een
woning, de hogere energiefacturen en eventuele energiearmoede mag niet
losgezien worden van de structurele woonkwaliteit. De stijgende energiearmoede
en de klimaatcrisis stellen de verschillende bestuurlijke overheden en ons
allemaal voor enorme uitdagingen. Armoedebeleid en klimaatbeleid gaan hier hand
in hand samen. De Vlaamse overheid zou een groots en ambitieus
woningvernieuwingsprogramma kunnen opzetten. Dit woonvernieuwingsprogramma –
dat idealiter een looptijd moet kennen van minimaal tien jaar en een sterke
impuls zal inhouden voor de bouwsector en energie-innovatieve bedrijven in
Vlaanderen – dient zich te richten op de zwakste segmenten van de Vlaamse
woningmarkt, zowel op de sociale als de private huurmarkt. Er moet verder oog
zijn voor de eventuele knelpunten en weerstandsmechanismen die eigenaar ervaren
bij het participeren aan dit ambitieus woningvernieuwingsprogramma. Voor maatschappelijk kwetsbare
eigenaars zijn doorgedreven maatgerichte vormen van trajectbegeleiding en
voorfinanciering en derdebetaler systeem
logica van het grootste belang. Het beleidsdocument ‘Naar een ambitieus
beleid inzake energie en woonkwaliteit in Vlaanderen’ van Samenlevingsopbouw
kan een richtinggever zijn. ( Beleidsaanbeveling Sector Samenlevingsopbouw)
·
Energetische
renovatie van huizen moet op een voldoende grote schaal worden aangepakt, mag
niet langer afhankelijk zijn van individueel initiatief. Groen is voorstander
van een model waarbij zo mogelijk een hele wijk in een keer wordt aangepakt.
Dat is met name ook belangrijk voor die mensen die het meest gevoelig zijn voor
energiearmoede. Het komt er op aan om
alle bewoners samen te brengen om hen te betrekken bij het hele project, via
een aangepaste participatiestructuur, een energiewijkgroep. Wanneer er sociale
organisaties of buurwerk actief zijn in die wijk, hebben zij vanzelfsprekend
een belangrijke rol te spelen. Ook vertegenwoordigers van de stad en het OCMW
draaien mee in de energiewijkgroep. Alle betrokken bewoners kunnen ook beroep
doen op een contactpersoon bij wie ze permanent terecht kunnen met al hun
vragen. Speciale aandacht is nodig voor huurders. Zij kunnen meestal zelf erg
weinig veranderen aan het huis waarin ze wonen, en ze komen dan ook nog vaak
terecht in kwalitatief slechte huizen. Verhuurders zouden actief benaderd
moeten worden om hen ervan te overtuigen mee te stappen in het wijkproject.
Eventueel kan ook het sociaal verhuurkantoor hierin nog een rol spelen. Voor al
wie in het project stapt, wordt administratieve ondersteuning aangeboden. Zo
kan de soms moeilijke zoektocht naar alle premies en fiscale voordelen uit
handen genomen worden, zodat er voor iedereen een maximaal gunstig effect is.
Ook de af en toe ingewikkelde weg om bij goede technici of aannemers te komen,
kan zo door het energiebedrijf worden overgenomen. Op basis van de inkomenssituatie van de
burgers in de wijk wordt bekeken wie zelf niet voldoende eigen middelen heeft
om mee in het project te stappen. Zij kunnen extra steun krijgen, al dan niet
in de vorm van een renteloze lening via het FRGE (Fonds ter Reductie van de
Globale Energiekost, in Leuven in de vorm van vzw Pendule). Voor de groep die
daar net boven valt, worden ook interessante formules van prefinanciering
uitgewerkt zodat investeringen sneller kunnen worden doorgevoerd. Er kan ook
gebruik gemaakt worden van innovatieve financiële instrumenten zoals een
derdebetalers- of derde-investeerdersfinanciering. Daarbij wordt
voorfinanciering voor een investering voorzien, waarbij het betrokken bedrijf
in eerste instantie wordt terugbetaald ( Beleidsvoorstel Groen Leuven )
·
Groen
Leuven pleit voor een uitbreiding van het aantal crisisopvanginitiatieven. De
periode van crisisopvang zou best ook verlengd worden.
3.2.
Sociale openbare dienstverplichtingen energiemarkt.
·
Grondrecht energie .
Waar er nieuwe uitdagingen zijn
voor de menselijke waardigheid moet de overheid bijkomende maatregelen nemen. Ik
vraag dat de Federale overheid dringend werk maakt van een grondrecht op
energie. Dit grondrecht op energie moet voldoen aan de volgende criteria:
beschikbaarheid , fysieke en economische toegankelijkheid ( of betaalbaarheid),
toegang tot begrijpbare en transparante informatie en kwaliteitsvolle
dienstverlening.
·
Richtlijnen
voor afbetalingsplannen. De overheid zou duidelijke,
geformaliseerde richtlijnen voor
afbetalingsplannen kunnen uitvaardigen
zodat extreem hoge en onrealistische afbetalingsplannen worden vermeden.
·
De stopzetting van de uitrol van
de budgetmeter voor aardgas. Zolang er geen minimumlevering kan voorzien worden is de aardgasbudgetmeter voor ons geen goed
instrument voor de bestrijding van (verdere) energiearmoede. Samen met het
Vlaams netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen en
Samenlevingsopbouw Antwerpen provincie vragen we dan ook dat de uitrol van de
aardgasbudgetmeter wordt gestopt.
·
Er
is een groeiend probleem met de budgetmeters voor aardgas. Wanneer je uw
budgetmeter voor elektriciteit (tijdelijk) niet kunt opladen, kom je eerst op
een noodkrediet terecht en kun je later (tijdelijk) gebruik maken van een
minimumlevering van 10 ampère. Bij een budgetmeter voor aardgas is een
minimumlevering voorlopig niet mogelijk, met schrijnende levensomstandigheden
en groeiende energiearmoede tot gevolg. In nam 2010 nam de Vlaamse regering
bijkomende maatregelen. Mensen die hun budgetmeter voor aardgas niet kunnen
opladen, kunnen bij het OCMW terecht en na een sociaal onderzoek kan het OCMW
beslissen om een minimumhoeveelheid aardgas ter beschikking te stellen. Uit
gesprekken met mensen in armoede blijkt dat niet iedereen op de hoogte is van
deze maatregel. Het OCMW zou bijkomende inspanningen moeten doen om deze mensen
te bereiken en op toegankelijke wijze te informeren over deze maatregel. (
Beleidsvoorstel Groen Leuven )
3.3. Toegang tot water.
·
Grondrecht water .Waar er nieuwe uitdagingen zijn
voor de menselijke waardigheid moet de overheid bijkomende maatregelen nemen.
Ik vraag dat de Federale overheid dringen werk maakt van een grondrecht op
water. Dit grondrecht op water moet voldoen aan de volgende criteria:
beschikbaarheid , fysieke en economische toegankelijkheid ( of betaalbaarheid),
toegang tot begrijpbare en transparante informatie en kwaliteitsvolle
dienstverlening.
·
Geen privatisering van de
watermarkt. Het
publieke karakter moet behouden worden.
·
Er dringend werk gemaakt worden van een uitgebreid pakket sociale openbare dienstverplichtingen met
betrekking tot de watersector.
De huidige sociaal openbare
dienstverplichtingen bij elektriciteit en gas en de beleidsvoorstellen ter
uitbreiding hiervan in de beleidsdocumenten van het Vlaams Netwerk tegen
Armoede kunnen inhoudelijke richtinggevers zijn.
·
Er moet voorzien worden in voldoende openbare waterpunten, toilet en
wasgelegenheden op verschillende plaatsen in de stad.
Hiervoor kan samen gewerkt worden met bestaande
initiatieven , met verenigingen waar armen het woord nemen en andere
initiatieven. Deze openbare waterpunten moeten bekend gemaakt worden. Bij het
bekend maken moeten verschillende methodieken gehanteerd worden. De
ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting kan hier zeker nuttige
tips geven over hoe de doelgroep best te bereiken.
3.4. Inkomen.
·
Om
groeiende armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan pleiten het Vlaams Netwerk tegen Armoede, de
vakbonden en de partijen Groen en Ecolo voor het optrekken van de
minimumuitkeringen tot boven de Europese armoedegrens. Eigenlijk zouden we
moeten komen tot een soort basisinkomen ( hetzij uit werk of een sociale
uitkering) met de Europese armoedegrens
als ethische ondergrens. ( Federale bevoegdheid)
3.5. Maatschappelijke dienstverlening en armoedebeleid.
·
Mensen
in armoede moeten als volwaardige partners worden meegenomen bij het vormgeven,
implementeren en evalueren van het armoedebeleid op alle bestuurlijke niveau’s.
·
Het
gaat niet goed met de armoede in Leuven. Groen Leuven is vragende partij voor
meer aandacht voor armoede en sociale uitsluiting. Dit zou kunnen via de
organisatie van een jaarlijkse armoededag. De bedoeling is wel dat de mensen in
armoede en hun verenigingen waar armen het woord nemen in grote mate betrokken
worden bij de organisatie deze dag. Het is een dag waar vertegenwoordigers van
de stad, het OCMW, het CAW, mensen in armoede en verenigingen waar armen het
woord nemen, ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting en
lokale politici elkaar ontmoeten, met elkaar praten en luisteren naar verhalen
van armoede en sociale uitsluiting in Leuven. Elk jaar kan gefocust worden op
een ander levensdomein ( huisvesting en energie, maatschappelijke
dienstverlening, tewerkstelling, …). Dit kan een eerste stap zijn naar een
structurele verankering van een participatief armoedebeleid.
·
Uit
gesprekken met mensen in armoede blijkt dat de dienstverlening van het OCMW
niet altijd afgestemd is op de belevingswereld van mensen in armoede. Stad en
OCMW kunnen verdere stappen zetten naar een sociale dienstverlening die
vertrekt vanuit het verhaal, de hulpvraag en de krachten van mensen in armoede,
die werkt rond sociale uitsluiting en respect heeft voor de binnenkant (de
belevingswereld) van mensen in armoede. De aanwerving en indiensttreding van
een ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting eind 2011 is een
eerste belangrijke stap. ( Beleidsvoorstel Groen Leuven)
3.6. Toegang tot informatie , scholing , vaardigheden.
·
Informatie
over de werking van de energiemarkt, de sociale maatregelen, over de werking
van budgetmeters, energiebesparende maatregelen moeten toegankelijk zijn voor
mensen in armoede.
Bronnen en interessante links.
Armoedebarometer
rapport 2011 van het platform Decenniumdoelen 2017
‘
Einddossier wonen, verslag van de themawerking wonen 2009-2011’ van buurtwerk en
vereniging waar armen het woord nemen ’t Lampeke
Jaarverslag
2010 OCMW Leuven
‘Armoede
in Vlaams-Brabant 2011’
van de provincie Vlaams-Brabant
‘Sociale
openbare dienstverplichtingen 2011’
van de VREG.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten