maandag 26 oktober 2015

Turkije: Alevieten, gelijke rechten voor Alevieten en wie maakt er werk van.

 Het Alevitisme in Turkije.

In Turkije wonen ongeveer 20 miljoen Alevieten. Hiertoe behoren zowel Turken als Koerden.

Het Alevitisme als een wereldbeschouwing, geloofsovertuiging en cultuur heeft zijn oorsprong in de grote volksverhuizingen van Turkse stammen vanuit Centraal Azië naar Anatolië in de 9e en 10e eeuw. Hoewel het Soennisme en het Alevitisme beiden tot de islam behoren, zijn de verschillen tussen deze twee stromingen groot. Het Alevitisme komt voort uit Shi’itische stroming en heeft hun eigen specifieke cultuurbeleving, religieuze uiting en levensbeschouwing.



Hacı Bektaş Veli is een van de grote Alevitische geleerden. Ook Celaleddin Rumi en Yunus Emre worden als belangrijke personen binnen het Alevitisme gezien.


Binnen het Alevitisme is de mens verantwoordelijk voor zichzelf, en dit op alle gebieden. Niet God, maar de mens is de wetgever op aarde. De Alevieten hebben een groot respect voor ieders geloof en belijdenis, wat ook zijn of haar overtuiging moge zijn. Zoals de grote Alevitische geleerde Hacı Bektaş Veli ooit zei : “De mens zelf is degene die uiting en richting geeft aan het geloof".

Alevieten komen niet samen in moskees , maar in cemevi’s . Bij Soenitische moslims bidden mannen en vrouwen apart. Bij Alevieten bidden mannen en vrouwen samen in dezelfde plek in de cemevi. De vastenperiode bij Alevieten is veel korter en de Hadj wordt meestal niet uitgevoerd. Sommige Alevieten zien zichzelf als moslim(a), anderen zien zichzelf niet als moslim(a), maar eerder als humanist(e). De meeste Alevitische vrouwen dragen geen hoofddoek. Uitzondering hierop is als ze in een Cemevi, de gebedsplaatsen van Alevieten, zijn. Dan dragen de meeste vrouwen wel een hoofddoek. Al zijn ook daar vrouwen die geen hoofddoek dragen.
 

Semah, de spirituele 'dans' van de Alevieten.

De semah is een rituele ‘dans’ die specifiek is voor de Alevitische cultuur en religie.
De semah wordt alleen op de cem en bij uitzondering tijdens andere belangrijke gebeurtenissen uitgevoerd. Met de semah stellen Alevieten zich ‘open voor God en de mensen’ en ‘maken zij hun liefde voor God en de mens zichtbaar’. Iedere streek in Turkije kent zijn eigen semah. Er zijn dus regionale verschillen .
Mannen en vrouwen voeren samen de spirituele dans uit. De semah komt ook voor in het soefisme bij bijvoorbeeld de Mevlevi-orde van Mevlana Rumi. Zowel in het Alevitisme als in het Soefisme wordt beweerd dat Mohammed en de voorgaande profeten ook aan de semah hebben gedaan . De semah gebeurd op muziek dat geproduceerd wordt door het bespelen van de saz, een Turks snaarinstrument. Vaak wordt er ook bij gezongen.



Politieke overtuidgingen van Alevieten.

Alevieten zijn uitgesproken voorstanders van het secularisme als staatsvorm. In tal van Cemevi's hangt naast afbeeldingen van Ali en Hacı Bektaş Veli, ook afbeeldingen van Mustafa Kemal Atatürk, de stichter van de seculiere republiek Turkije. Bij Alevieten zijn mannen en vrouwen gelijk, zowel in de Islam als de bredere samenleving. 'Onderwijs de vrouwen, een natie die zijn vrouwen niet onderwijst zal geen progressie boeken ' , zei Hacı Bektaş Veli. Onderwijs, hoger en universitair onderwijs en buitenshuis werken voor vrouwen wordt binnen de Alevitische gemeenschap sterk aangemoedigd.

Op politiek vlak zijn de meeste Alevieten links-progressief. De meeste Turkse Alevieten in Turkije stemmen op de seculiere centrumlinkse CHP.

De meeste Koerdische Alevieten in Turkije stemmen op de pro-Koerdische HDP.


Op zondag 29 maart werden er interne verkiezingen gehouden door de seculiere oppositiepartij CHP, dit voor het bepalen van de (top)kandidaten voor de parlementsverkiezingen op 7 juni eerder dit jaar. De CHP was de enigste partij in Turkije die interne verkiezingen houdt voor de bepaling van hun (top)kandidaten. Het waren vooral Alevi en vrouwelijke kandidaten die voldoende stemmen kregen om hoog op de lijsten te staan. Ongeveer 80% van alle kandidaten die genoeg stemmen kregen waren Alevi’s. De meerderheid van de verkozenen parlementsleden van de CHP zijn Alevieten. Voor de vervroegde parlementsverkiezingen op 1 november 2015 zijn er evenveel Alevitische kandidaten dan op 7 juni.

Trouwens, Kemal Kılıçdaroğlu, nationaal voorzitter van de CHP, is een Turks-Koerdische Aleviet.
De overgrote meerderheid van de Alevieten wantrouwen de AK parti en moeten niets van die partij hebben.

Alevieten hebben in 2013 massaal deelgenomen aan de Gezi Park-betogingen. De Gezi Park betogingen begon met een actie ( die begon op 28 mei 2013 ) van een 150tal ecologisten die een sit-in hielden tegen plannen om het Gezi park te kappen en er een shopping centrum te plaatsen. Na hardhandig optreden van de oproerpolitie evolueerde de sit-in in weken durende massabetogingen van honderdduizenden Turken in verschillende steden in Turkije. Wat begon als een protest om ecologische redenen monde uit in grootschalig protest tegen wat de betogers noemen het autoritaire en conservatieve beleid van de AKP-regering. Onder de betogers heel veel homo’s en transgenders , Alevieten, jongeren, seculiere vrouwen en mannen, Koerden, Kemalisten, politici van de CHP en HDP, mensenrechtenactivisten , milieu-activisten, vredesactivisten, vakbondsmilitanten, extreem-linksen en zelfs gelovige moslims en moslima’s van de anti-kapitalistische moslims.

In totaal hebben volgens de politie ongeveer 3 500 000 mensen deelgenomen aan de Gezi Park betogingen in 2013.De politie trad hard op . 7 betogers en 1 politieagent lieten het leven. De politie kreeg achteraf veel kritiek van zowel Turkse als internationale mensenrechtenorganisaties omdat ze disproportioneel optraden en zo het recht op betogen ernstig onder druk kwam te staan.

Alle betogers die om het leven kwamen door politieoptredens waren Alevieten.
 

Discriminatie van Alevieten.
 
De Alevieten eisen gelijke rechten en gelijke behandeling , waaronder onder andere erkenning op nationaal vlak van cemevi’s, de gebedsplaatsen van Alevieten, en een eerlijk deel in het budget van het Diyanet.
In Turkije zijn er 84,684 moskees, 937 cemevi’s , 350 kerken en 26 synagoges. De volledige begroting van het directoraat voor religieuze zaken is echter volledig afgestemd op de moskees van de Soennitische moslimgemeenschap in Turkije.
De Alevieten wantrouwen de AKP-regering en zijn bezorgd over een aantal beslissingen binnen de hoge raad van onderwijs begin december 2014.

De verplichte godsdienstklassen worden uitgebreid naar het volledige basisonderwijs. Godsdienstonderwijs is nu verplicht in het basisonderwijs en het secundair onderwijs. Er lag ook een voorstel klaar om godsdienstonderwijs te introduceren in het kleuteronderwijs , maar dat voorstel is weg gestemd geweest. In de plaats komen er  lesuren rond waarden en normen.

Zo zijn de Alevieten niet te spreken over het verplichte karakter van de lessen en over de inhoud van de lessen. Volgens de Alevi’s wordt er te eenzijdig gefocust op Soennitische Islam , dit terwijl er een grote diversiteit is aan levensbeschouwelijke overtuigingen in Turkije.

Op datzelfde congres lag ook een voorstel ter stemming om het Alevitisme op gelijkwaardige basis op te nemen in het curriculum van de godsdienstlessen . Dit voorstel is weggestemd.

De AK parti regering heeft dit akkoord toen geprezen.

Madımak-aanslag in Sivas.
 

Op 2 juli 2015 was het 22 jaar geleden dat het bloedbad van Sivas plaatsvond. Op 2 juli 1993 kwamen 33 Alevitische artiesten, kunstenaars en intellectuelen om het leven na een aanval van een woedende menigte bij hotel Madımak. Het hotel, waar de Alevieten waren samengekomen voor het cultuurfestival Pir Sultan Abdal, werd in brand gestoken door extremisten.

Van de extremisten die zijn opgepakt, zijn bij vonnis van 28 november 1997 door de Staatsveiligheidsrechtbank 33 daders voor hun rol in het bloedbad ter dood veroordeeld. Bij hoger vonnis van 2001 werd dit teruggebracht tot 31 daders. In 2002 werd de doodstraf afgeschaft in Turkije en werden de straffen omgezet in levenslang.

 In 2012 stelde de centrum-linkse  oppositiepartij CHP (partij van Atatürk)  een wetsvoorstel voor om verjaring uit te sluiten, zodat zij alsnog berecht konden worden. De AKP was hier niet voor te vinden. Uiteindelijk zijn 7 aangeklaagden niet veroordeeld geweest wegens verjaring van de feiten.

In de Turkse stad Sivas kwamen tienduizenden Alevieten samen om te slachtoffers te herdenken en gerechtigheid te eisen.

"Onze harten zijn vol verdriet en pijn wegens de 22ste herdenking van één van de meest gewelddadige en pijnlijkste slachtingen in de geschiedenis van Anatolië", aldus Hidayet Yıldırım, woordvoerder van Alevitische stichting Alevi Pir Sultan Abdal.

Yıldırım riep op tot gerechtigheid en berechting van de daders: de Alevieten vinden het onacceptabel dat de rechtszaak tegen een aantal verdachten is beëindigd sinds de rechtbank in 2013 oordeelde dat de zaak verjaard is. Ook vinden ze dat de burgemeester ( van de Refah partisi) van Sivas van toen onvoldoende maatregelen heeft genomen om de bestorming en in brand steken van het hotel te voorkomen.

Bij de herdenking waren ook politici aanwezig, onder wie zo'n 60 leden van de CHP, waaronder Zeynep Altıok, Şenal Sarıhan, Kemal Kılıçdaroğlu en zijn vrouw Selvi Kılıçdaroğlu. .

Ook in andere Turkse steden werden grote solidariteitsmanifestaties gehouden.

Gelijke rechten voor Alevieten , wie maakt er werk van?

Begin dit jaar (2015) startte de CHP-besturen in hun steden/gemeentes al de procedure tot lokale erkenning van de cemevi’s , de gebedsplaatsen voor Alevieten. Ondertussen hebben zo’n 100 steden/gemeentes met een CHP-burgemeester de cemevi’s , gebedshuizen voor Alevi’s , op hun grondgebied erkend.

In de honderd steden/gemeentes waar de cemevi’s op lokaal vlak zijn erkend voorziet het stads/gemeentebestuur in de betaling van de elektriciteits- en waterfactuur, logistieke ondersteuning en alle andere voordelen die moskees genieten op lokaal vlak.

Kemal Kılıçdaroğlu, nationale voorzitter van de CHP, roept de AKP-regering op om de Cemevi’s op nationaal niveau te erkennen.

Ook de pro-Koerdische HDP startte met de lokale erkenning van Cemevi's en riep de AK parti regering op het Alevitisme en de Cemevi's op nationaal vlak te erkennen en gelijk te behandelen.

Eerder dit jaar (2015) zei het hooggerechtshof in Turkije dat de AKP-regering de Cemevi’s , de gebedshuizen van Alevieten, moet vrijstellen van het betalen van de elektriciteits- , gas- en waterfactuur. Moskees, kerken en synagogen moeten die niet betalen. Cemevi’s moeten die tot op vandaag nog steeds betalen. In december 2014 oordeelde het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) al dat Turkije discrimineert door synagogen, kerken en moskeeën wel vrij te stellen van de kosten voor elektriciteit, maar Cemevi’s niet. Cemevi’s moeten die kosten zelf betalen omdat zij niet officieel worden erkend als gebedshuizen.

Volgens de pro- AK parti-krant Sabah is de AK parti -regering al een tijdje bezig met het voorbereiden van een pakket maatregelen om de discriminatie tegenover Alevieten aan te pakken. Het is onduidelijk wat in dit pakket staat en hoever ze zijn in de bespreking hiervan binnen de regering. Verder moet worden opgemerkt dat de Sabah dit al jaren schrijft.
 


Bronnen.


Alevitische Culturele Vereniging: http://www.abkyol.nl/nl/

Hürriyet: http://www.hurriyetdailynews.com/

Sabah: http://www.dailysabah.com/
 
 



Al-Monitor:  http://al-monitor.com



 


dinsdag 22 september 2015

BDW’s en N-VA’s nationalisme is uitsluitingsnationalisme.

Bart De Wever en N-VA wilt af van conventie van Geneve en grondrechten voor vluchtelingen.

Op 26 augustus 2015 zat Bart De Wever , nationaal voorzitter van de rechts-nationalistische N-VA, in de studio van Terzake, een duidingsprogramma van de VRT. Tijdens het programma haalde Bart De wever(N-VA) zwaar uit naar asielzoekers , het Europees asiel – en migratiebeleid en gaf hij een sneer richting Turkije.

In zijn stigmatiserende retoriek, waar hij asielzoekers en terroristen over dezelfde kam scheerde, zei hij dat België overspoelt wordt door vluchtelingen. Bart De Wever zei dat West-Europa het grootste deel van de (Syrische) vluchtelingen van de huidige vluchtelingencrisis al opvangt. Bart De Wever pleitte voor een ander asiel- en migratiebeleid. Pushbacks van asielzoekers richting Turkije moet volgens Bart De Wever mogelijk worden gemaakt.

‘Turkije is immers kandidaat lidstaat voor de EU, ‘ zei Bart De Wever ( N-VA).

Belangrijk hier om te weten is dat N-VA tegen de toetreding van Turkije tot de EU is. Als we echter naar de cijfers kijken, dan zien wij een ander plaatje. Tussen april 2011 en eind juli van dit jaar (2015) vroegen in totaal 348.540 Syriërs asiel aan in Europa. De meeste onder hen deden dat in Duitsland (98.783) en Zweden (64.685). België kreeg volgens de cijfers van UNHCR sinds april 2011, 6.334 asielaanvragen van Syrische vluchtelingen te verwerken. (Bron cijfers:UNHCR)

Bart De Wever(N-VA) stelt Turkije voor zijn verantwoordelijkheid. Hierbij gaat Bart De Wever totaal voorbij aan het feit dat Turkije maar liefst 1 938 999 Syrische vluchtelingen, waaronder heel wat Koerden, opvangt.

Een paar dagen na de schandalige uitspraken over onder andere pushbacks richting Turkije is de wereld in schok. Op 2 september 2015 spoelt het dode lichaam van de 3-jarige Aylan Kurdi aan op de stranden van Bodrum, Turkije. Aylan en zijn ouders waren op de vlucht voor het geweld in Syrië.

Op 5 september 2015 zei Bart De Wever het volgende : " Oorlogsvluchteling ben je tot je een grens bent overgestoken waar je veilig bent en niet meer voor je leven hoeft te vrezen. Voor een Syriër is dat de Turkse grens.Als die Syriërs, die Irakezen en die Afghanen toch nog de boot willen nemen naar Griekenland, en vandaar uit bij voorkeur via Hongarije naar Duitsland, dan gaat het om economische vluchtelingen. Om mensen die niet alleen een veilig maar ook een beter leven willen. Dat begrijp ik perfect. Maar wees dan eerlijk. En open niet je televisienieuws met de droeve, schuldbewuste melding dat er een kind is gestorven, op de vlucht voor oorlog en geweld. Nee, er is een kind gestorven doordat zijn ouders op zoek waren naar een betere economische toekomst." (http://www.demorgen.be/binnenland/de-wever-die-dode-kleuter-is-niet-onze-schuld-a2446386/ )


Alsof dit nog niet erg genoeg was , deed Bart De Wever er  vandaag (22/09/2015) een serieuze schep bovenop. N-VA-voorzitter Bart De Wever heeft in zijn speech tijdens het openingscollege politieke wetenschappen aan de Universiteit Gent vlijmscherpe uitspraken gedaan over de asielcrisis.
Bart De Wever zei dat de vluchtelingen varen op een economisch kompas..

‘Ze stappen in gammele bootjes, omdat de bommen achter hen vallen. Excuseer?? Dames en heren, dat is gewoon niet waar’ , sneerde Bart De wever tijdens zijn gastcollege.

Ons land is aantrekkelijk voor vluchtelingen wegens de kwaliteit van de opvang, zei De Wever.  ‘Er is de kwaliteit van de opvang, de duidelijke procedure, de grote kans op erkenning. Fedasil heeft een offerte opgesteld voor de privésector, à rato van 60 euro per dag. Bij de vereisten zijn gratis wifi, gratis telefoon, gratis condooms. Dat laatste vond ik wel zeer merkwaardig’, zei  Bart De Wever.
“Ah, mijn grootmoeder zit in een rusthuis. Ze krijgt een factuur van 2.200 euro, ze krijgt 1.200 euro pensioen. Kunt u mij dat verschil ook terugbetalen of moet mijn grootmoeder eerst asiel aanvragen? De publieke opinie dreigt in mijn ogen helemaal af te haken."

Bart De Wever vindt de Conventie van Genève , dat het recht op asiel en een menswaardig leven voor vluchtelingen garandeert , een keurslijf is waar dringend over nagedacht moet worden.
"De Conventie garandeert de toegang tot de sociale zekerheid op het niveau van de eigen onderdanen", aldus Bart De Wever. "Maar de sociale zekerheid uit 1951 is niet te vergelijken met de huidige. Sommige landen hebben een zeer gul, open systeem van sociale zekerheid uitgewerkt en de Conventie biedt nu een ticket om daar als vluchteling deel van te gaan uitmaken."

De nationale voorzitter van de N-VA  pleit ervoor om  een duidelijk onderscheid te maken tussen mensenrechten en burgerrechten.

 "We moeten nadenken over een statuut waarbij je recht per recht opbouwt." Het eerste voorstel daarin is de aanpassing van de kinderbijslag, die pas na vier jaar volledig zou worden uitgekeerd. Daarnaast zou gezinshereniging kunnen worden gekoppeld aan het hebben van een job en een woning. Om het aanzuigeffect van ons land verder te verkleinen, dient ook het verblijfsrecht in de tijd te worden beperkt.” (http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/regio/oostvlaanderen/1.2448439 ) 

Op 09/09/2012 zei Bart de Wever tijdens een debat in De Zevende Dag tegen De Winter (VB) : "veel van uw voorstellen zijn zelfs tegen de Conventie van Genève. En ja, eerlijk gezegd.. daar gaan wij nooit aan meedoen, het spijt me. Het spijt me, daar doen wij nooit aan mee. Dat zijn mensenrechten hé, meneer Dewinter "  ( Bron: http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/videozone/archief/programmas/dezevendedag/2.24146/2.24147/1.1425507 )

Ruim 3 jaar later moeten diezelfde Conventie van Geneve op de schop.

De Schengenzone is volgens Bart De Wever klinisch dood.

 ‘Om ze opnieuw tot leven te wekken, moeten de buitengrenzen dicht. Daar moeten hotspots komen waar de verdeling van de vluchtelingen doorheen Europa wordt georganiseerd’, concludeerde De Wever.

Deze federale regering is eerste regering  dat - onder druk van middenveldorganisaties en Groen- voorziet in opvang voor asielzoekers die nog geen asielprocedure hebben kunnen opstarten. Ook voorziet de regering extra middelen voor LOI's. Deze 2 positieve maatregelen worden serieus zwaar overschaduwd  door retoriek en voorstellen tot beleidsmaatregelen die fundamentele grondrechten onder druk zetten. 

Of hoe Bart De Wever(N-VA) met racistische toogpraat verschillende bevolkingsgroepen tegen elkaar opzet. Verder stelt hij dat de vluchtelingen profiteurs zijn. Het zijn schokkende racistische uitspraken die hele bevolkingsgroepen stigmatiseren. Of hoe Bart De Wever(N-VA) met racistische toogpraat verschillende bevolkingsgroepen tegen elkaar opzet. De beleidsvoorstellen die Bart De Wever en de N-VA voorstellen lijken verdacht veel op punten uit het 70-puntenplan van het Vlaams Belang en haalt een leven voor asielzoekers dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid onderuit.

Het morrelt aan de grondrechten die een menswaardig leven moet garanderen.

We moeten resoluut gaan voor een solidair en humaan beleid dat vertrekt vanuit grondrechten voor asielzoekers en een beleid dat hen een menswaardig leven garandeert. Dit is een beleid dat geloofd in sociale rechtvaardigheid en in de krachten van mensen. 

Het betonneren van de omgekeerde herverdeling.

Armoede, sociale uitsluiting en maatschappelijke kwetsbaarheid is en blijft een groot probleem. Alle indicatoren staan op rood. De inkomensongelijkheid neemt verder toe. De laatste cijfers van EU-SILC ( European Union –Statistics on Income and Living Conditions) vertellen ons dat in 2013  ongeveer 15,3 % van de bevolking in België moest leven met een inkomen onder de Europese armoedegrens. Dit betekent dat 1 op 7 of ongeveer 1.656.800 personen in België in armoede leven of een zeer groot risico hebben om in armoede terecht te komen.

Een groeiend aantal mensen ervaren sociale uitsluitingen met structurele oorzaken op de levensdomeinen huisvesting en energie, inkomen en tewerkstelling , onderwijs, gezondheidszorg, enz…

De huidige federale regering (N-VA, Open VLD, CD&V en MR) moest op het moment van de opmaak van het regeerakkoord en de eerste draft van de begroting 11,2 miljard euro zoeken om de begroting op orde te brengen. Zo'n 72, 1% daarvan wilt Michel 1 doen via besparingen. De sociale zekerheid is de grootste slachtoffer. De nieuwe federale regering wilt tegen 2019 ongeveer 5,2 miljard euro snoeien in de sociale zekerheid. 
 
De vorige federale regering  voerde de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en de beperking in de tijd van de inschakelingsuitkering ( vroegere wachtuitkering ) in, met groeiende inkomensongelijkheid tot gevolg.

Deze nieuwe federale regering (N-VA, Open VLD, CD&V en MR) gaat – te midden van een structureel tekort aan jobs – nog een serieuze stap verder. Deze nieuwe federale regering voert een draconisch besparingsbeleid  door en wilt tegen het einde van deze legislatuur 5 miljard euro wegsnijden uit de sociale zekerheid. Ze schrapt in de inschakelingsuitkeringen door het invoeren van diplomavereisten voor mensen tot 21 jaar en door de leeftijd dat je zo’n uitkering kunt aanvragen te verlagen van 30 naar 25j. Het zullen de maatschappelijk meest kwetsbare mensen zijn die hier het hardste door getroffen wordt. Bovendien zorgt dit voor een verschuiving van het probleem van het sociaal zekerheidssysteem naar het systeem van recht op maatschappelijke integratie , waar het leefloon deel van uitmaakt. M.a.w. een verschuiving richting het OCMW. De laatste cijfers tonen dit ondertussen aan. Volgens de recentste cijfers van de overheidsdienst Maatschappelijke Integratie waren er in april van dit jaar 115.027 Belgen met een leefloon van het OCMW.

Zowel op federaal als Vlaams niveau worden tal van maatregelen genomen die maatschappelijk kwetsbare mensen het hardste treffen, denken we maar aan de maatregelen die de toegang tot voldoende elektriciteit en gas serieus onder druk zet, met groeiende energiearmoede tot gevolg.
De regeringen(federaal en Vlaams) versterken verder de omgekeerde herverdeling , met groeiende armoede, inkomensongelijkheid en maatschappelijke kwetsbaarheid tot gevolg.

De N-VA , de grootste partij in zowel de federale als Vlaamse regering, ging naar de verkiezing met onder andere dat de overheidsmiddelen van sociaal beleid moeten terechtkomen bij zij die het echt nodig hebben. Wel, wat dit concreet in de praktijk voor de federale regering betekend is duidelijk: inkomen afpakken van de maatschappelijk kwetsbare mensen en de middenklasse en meer inkomen geven aan de rijken. Of anders gezegd: afpakken van zij die het echt nodig hebben en geven aan zij die het niet nodig hebben.

Het kan en moet anders . We moeten resoluut gaan voor een emancipatorisch, krachtgericht en participatief sociaal beleid dat mensen versterkt en de structurele uitsluitingsmechanismen wegwerkt, grondrechten garandeert in plaats van afbouwt, de binnenkant ( de belevingswereld) van mensen in armoede respecteert en vertrekkende vanuit de krachten, vaardigheden en overlevingsstrategieën van mensen in armoede samen met hen duurzame stappen vooruit zet. Inkomens ( hetzij uit arbeid of een sociale uitkering) boven de Europese armoedegrens en betaalbare, kwaliteitsvolle en energiezuinige huisvesting zijn 2 belangrijke startvoorwaarden.

Conclusie. 

De N-VA beweert een volkspartij te zijn dat een volks nationalisme uitdraagt en aan gemeenschapsvorming doet. Niets is minder waar. De draconische besparingsdrift zet het sociaal weefsel en het sociaal middenveld meer dan ooit onder druk. De N-VA kiest voor een ‘gesloten’ Vlaanderen met leeuwtjes op straatnaamborden, overal Vlaamse vlaggen, marsen op het stadhuis en dat , vertrekkende vanuit een neoliberale logica, de mensen die niet ( direct) mee kunnen uitsluit. Of hoe ‘t Vlaams-nationalisme van de N-VA een kil  uitsluitingsnationalisme is.

donderdag 28 mei 2015

Energiearmoede 2015 en het antwoord van de Vlaamse regering hierop.


1.Energiearmoede (elektriciteit, gas en water).

1.1. Definitie energiearmoede.

Binnen de EU werd energiearmoede of ‘fuel poverty’  voor het eerst getheoretiseerd in 1990 in de UK.

Een mijlpaal met betrekking tot energiearmoede  is het boek ‘Fuel Poverty: from cold homes to affordable warmth’ van de Britse Brenda Boardman (1991).

Later, in 2001 kwam energiearmoede pas echt op de politieke agenda in het Verenigd Koninkrijk via de goedkeuring van de ‘UK Fuel Poverty Strategy’  . In dit document werd de volgende definitie van energiearmoede opgenomen:

‘A fuel poor household is one that cannot afford to keep adequately warm at reasonable cost. The most widely accepted definition of a fuel poor household is one which needs to spend more than 10% of its income on all fuel use to heat its home to an adequate standard of warmth. This is generally defined as 21ºC in the living room and 18ºC in the other occupied rooms – the temperatures recommended by the World Health Organisation.’

Op deze definitie en latere soortgelijke definities  kwam echter kritiek. Later, in 2008 werd er een nieuwe definitie geformuleerd die ook door Jan Vranken steeds naar voren wordt geschoven als we spreken over energiearmoede.

‘Een persoon, lid van een huishouden , is in energiearmoede wanneer hij/zij bijzondere moeilijkheden ondervindt in zijn/haar woonst om zich te voorzien van energie die noodzakelijk is om zijn/haar elementaire noden te bevredigen.’              
(Vranken, Huybrechts, Meyers 2011:42 )

1.2. Oorzaken/aandachtsgebieden en cijfers.






1.2.1. Huisvesting.

Huisvesting is een van de belangrijkste oorzaken van energiearmoede.  Mensen in armoede komen in aanmerking voor een sociale woning. Een deel van de mensen in armoede wonen ook effectief in een sociale woning of in een wooneenheid dat verhuurd wordt via een sociaal verhuurkantoor ( SVK) . De sociale woningen zijn vaak in minder goede staat. Zeker de sociale woningen die in de jaren ’70 en ’80 zijn gebouwd voldoen niet aan de huidige eisen op het gebied van energiezuinigheid. Oudere sociale woningen zijn onvoldoende geïsoleerd, soms hebben ze nog enkel glas en vertonen ze zichtbare structurele gebreken.




Hierdoor wonen heel wat mensen in armoede in een woning op de private huurmarkt . De huurprijs is er  hoog ,de huurwaarborg onbetaalbaar .
Mensen in armoede komen in het onderste segment van deze private huurmarkt terecht en wonen vaak  in wooneenheden met structurele tekorten op het gebied van woonkwaliteit en energiezuinigheid.

Toegang tot nutsvoorzieningen elektriciteit , gas en water zijn verder ook grotendeels gelinkt  aan huisvesting. Dreigende en effectieve uithuiszetting zet de toegang tot nutsvoorzieningen elektriciteit , gas en water ernstig onder druk. Mensen die in een daklozensituatie terecht  komen verliezen grotendeels hun toegang tot nutsvoorzieningen elektriciteit , gas en water.


1.2.2. Sociale openbare dienstverplichtingen energiemarkt.

Sinds 1996, met onder andere de implementatie van de lokale adviescommissie ( LAC) , nam de Vlaamse overheid initiatieven in de strijd tegen energiearmoede.

Later, na de liberalisering van de energiemarkt in 2003 heeft de Vlaamse regering in verschillende stappen verder gezorgd  voor een sociaal vangnet: de sociaal openbare dienstverplichtingen:


(1)Gratis  kWh elektriciteit en gratis hoeveelheid gas. (2) Sociale maximumprijs en statuut beschermde klant.  (3) Procedure wanbetaling. (4) Afsluiting en Lokale Adviescommissie (LAC) (5) De budgetmeter . (6) Schuldafbouw in de budgetmeter. (7)  Minimale levering van aardgas bij de aardgasbudgetmeter tijdens de winter .(8) 10 ampère minimale levering elektriciteit.(9) Winterperiode waarin niet mag afgesloten worden. 


Een groeiend aantal mensen  kunnen hun facturen bij de commerciële energieleverancier niet meer betalen of moeilijk betalen en moeten een afbetalingsplan  aanvragen. Zo’n  109 220 huishoudelijk afnemers gingen in 2013 een afbetalingsplan  aan met hun commerciële energieleveranciers , wat een stijging tegenover 2012 toen het zo’n 106 178  gezinnen waren. Zo’n 11 672  of 10,69% van de lopende  afbetalingsplannen werden afgesloten door  gezinnen  die statuut beschermde afnemer hadden. Dit ligt hoger dan de 7,73% van de Vlamingen die de sociale maximumprijs voor elektriciteit hebben  . (1)

De gemiddelde uitstaande schuld op het moment dat het afbetalingsplan werd afgesloten, bedraagt in 2013 890 euro, wat een stijging is tegenover 2012 toen dit 877 euro was.
Voor beschermde afnemers ligt de af te lossen schuld met 617 euro 34% lager dan bij niet-beschermde afnemers (924 euro) wat logisch is gezien het verbruik van beschermde afnemers afgerekend wordt aan de lagere sociale maximumprijs.(1)

De commerciële energieleveranciers mogen eenzijdig beslissen of ze een afbetalingsplan toestaan en mogen ook zelf het maandelijkse afbetalingsbedrag kiezen. Dit zorgt vaak voor onrealistische afbetalingsplannen.

Gemiddeld betaalt een gezin dat in 2013 een afbetalingsplan voor elektriciteit aanging maandelijks 140 euro af. Dit komt dus bovenop het maandelijks te betalen voorschotbedrag voor elektriciteit en aardgas. Het gemiddeld maandelijks af te lossen bedrag voor beschermde afnemers ligt bij alle leveranciers lager dan voor niet-beschermde afnemers en globaal ligt dit, net als de schuld, 33% (bijna 50 euro) lager.

Om een gemiddelde schuld van 890 euro af te lossen à rato van 140 euro/maand, zijn 6,4 aflossingen nodig. Gemiddeld loopt een betaalplan dus over ongeveer zes maanden. (1)
Zo’n 47.751 betaalplannen (44% van alle lopende betaalplannen) werden in 2013 wegens omstandigheden niet correct nageleefd, wat een stijging is tegenover 2012 toen dit 38 721 betaalplannen (36%) waren. Bij beschermde klanten ligt deze ratio nog 3% lager. (1)

Door de onzekere inkomenssituatie , de sociale uitsluiting en de complexiteit van een leven in armoede moeten mensen soms moeilijke keuzes maken en kunnen ze niet altijd het afgesproken afbetalingsplan nakomen. Als huishoudelijke afnemers hun afbetalingsplan niet nakomen, dan mogen commerciële energieleveranciers het contract stopzetten .

Zo’n 76.814 gezinnen kregen in 2013 ( 2012:  66 378 gezinnen ) een brief dat hun leveringscontract elektriciteit werd opgezegd. Ongeveer 35% werd geannuleerd. Er wordt vermoed dat leveranciers de opzegging gebruiken als een stap in hun invorderingsproces om druk te zetten op hun klanten om te betalen dan wel om nieuwe voorwaarden te kunnen stellen (bijvoorbeeld een waarborg vragen) om de klant alsnog te behouden. Bij 49.603 gezinnen werd het contract voor elektriciteit definitief opgezegd, wat een stijging is tegenover 2012 toen dit 43 225 gezinnen waren. (1)

Voor nutsvoorziening aardgas werden  in 2013 zo’n van 37.458 contracten definitief opgezegd.
Net als het aantal betaalplannen steeg in 2013 ook het aantal effectief opgezegde contracten voor zowel elektriciteit (+15%) als aardgas (+12%), en dit veel substantiëler dan 2012 (+0,5% en +8%). (1)

Mensen hebben dan 60 dagen de tijd om een contract af te sluiten met een nieuwe commerciële energieleverancier. Door diverse uitsluitingen is dit vaak heel moeilijk.
 Hierdoor komen ze vaak bij de netwerkbeheerder terecht, waar de energieprijzen het gemiddelde is van de prijzen op de commerciële energiemarkt.
In 2013 kregen 85.525 huishoudens hun elektriciteit en/of gas van de netwerkbeheerder, wat een zeer lichte daling is tegenover  2012.

Ook bij de netwerkbeheerders voor elektriciteit  en gas vragen meer en meer mensen een afbetalingsplan aan. Wanneer mensen bij de netwerkbeheerder hun afbetalingsplannen niet kunnen nakomen worden ze geconfronteerd met de plaatsing van een budgetmeter voor elektriciteit en/of aardgas.

In 2013 werden 16.477 afbetalingsplannen voor elektriciteit  opgestart bij de netwerkbeheerder waarvan de eerste aflossing in hetzelfde jaar plaatshad. Hierin zitten zowel de klassieke betaalplannen (via overschrijving) als de betaalplannen geprogrammeerd in de budgetmeter. Gemiddeld hadden de gezinnen 743 euro schuld op het moment dat dit betaalplan in 2013 werd afgesloten. Het gemiddelde betalingsbedrag per maand van deze afbetalingsplannen is 56 euro en ligt iets lager voor beschermde afnemers (46 euro) dan voor niet-beschermde afnemers (57 euro).(1)
Door de onzekere inkomenssituatie , de sociale uitsluiting en de complexiteit van een leven in armoede moeten mensen soms moeilijke keuzes maken en kunnen ze niet altijd het afgesproken afbetalingsplan nakomen.

Het aantal mensen in Vlaanderen dat geconfronteerd worden met de plaatsing van een budgetmeter voor elektriciteit en/of aardgas stijgt.
Ook de prijs  van elektriciteit en gas bij een budgetmeter ligt hoog en is het gemiddelde van de 2 grootste ( en ook duurste) commerciële energieleveranciers.

Op 01/01/2015  waren 42.327  budgetmeters voor elektriciteit actief in Vlaanderen . Dit is een opvallende stijging tegenover eind 2010 toen er 41 200 budgetmeters voor elektriciteit waren.


                                  
Het aantal naakte budgetmeters  voor elektriciteit , waar de stroombegrenzersfunctie 10 ampère werd uitgeschakeld, bedroeg  in 2015 ongeveer 11.259 budgetmeters . Verder verbruikten op 31 december 2012  2 081 gezinnen in Vlaanderen elektriciteit via een klassieke stroombegrenzer. Eind 2013 waren er een 94 extra stroombegrenzers actief in vergelijking met begin 2013. 2.175 gezinnen in Vlaanderen verbruikten eind 2013 stroom via een klassieke stroombegrenzer.

In stad Leuven ( waar ik woon) waren er op 31/12/2013 zo’n 425 actieve budgetmeters voor elektriciteit.


Op 01/01/2010 waren er 4 488 geplaatste en actieve budgetmeters voor aardgas  in Vlaanderen. Op 01/01/2012 waren er 24 190 geplaatste en actieve budgetmeters voor aardgas en eind 2012 waren dit  27 232 gezinnen. Op 01/01/2015 waren er 28.334 actieve budgetmeters voor aardgas. Dit betekent dat de afgelopen 4 jaar  23 846 bijkomende aardgasbudgetmeters zijn geplaatst .De implementatie van de budgetmeter voor aardgas startte in 2009. Er is dus duidelijk een inhaalbeweging bezig.  In stad Leuven waren er op 31/12/2013 zo’n  221 affectieve budgetmeters voor aardgas(1)
Er is een groeiend probleem met de budgetmeters voor aardgas. Wanneer je uw budgetmeter voor elektriciteit ( tijdelijke) niet kunt opladen kom je eerst op een noodkrediet terecht en kan je later ( tijdelijk) gebruik maken  van een minimumlevering van 10 ampère. Bij een budgetmeter voor aardgas is een minimumlevering voorlopig niet mogelijk, met schrijnende levensomstandigheden en groeiende energiearmoede tot gevolg.


Op 11 december 2009 hebben het participatief beleidsproject ‘Energie en Armoede’ van Samenlevingsopbouw Antwerpen provincie, het Vlaams Netwerk tegen Armoede ( tot 2012 noemde dit het Vlaams netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen) , ACW en Welzijnszorg opgeroepen om de implementatie van de budgetmeter voor aardgas stop te zetten zolang er geen minimumlevering mogelijk is.


http://www.samenlevingsopbouw-antwerpenprovincie.be/uploads/publicaties/EA/091211_E_aardgasbudgetmeter_vrijetribune.pdf


Ook de partij Groen roept als enigste partij in Vlaanderen op om de plaatsing van de aardgasbudgetmeter stop te zetten:

http://www.groen.be/actualiteit/Persbericht-iedereen-heeft-recht-op-een-minimum-aan-aardgas_1451.aspx

Op 24 september 2010 nam de Vlaamse regering bijkomende maatregelen: mensen die hun budgetmeter voor aardgas niet kunnen opladen kunnen bij het OCMW terecht en na een sociaal onderzoek kan het OCMW beslissen om een  minimumhoeveelheid aardgas ter beschikking te stellen.

Als we de cijfers bekijken zien we dat in de winterperiode 2013-2014 zo’n 276 Vlaamse OMCW’s (90%) besloten om principieel gebruik te maken van de regeling. Zo’n  210 van deze OCMW’s (68%) keerde effectief tussenkomsten uit (168 in 2010 -2011) . We moeten dus vaststellen dat niet elk van die 276 OCMW’s ook affectief bedragen uitkeert.  (2)

In Leuven is er een lichte toename in het aantal toekenningen waar te nemen. In de winterperiode 2011-2012 waren er 3aanvragen/toekenningen. In de winterperiode 2012-2013 waren er 10 aanvragen , waarvan 6 toekenningen en 4 aanvragen werden geweigerd.(3)

Het aantal mensen die toegang kregen tot de ‘minimale’ levering tijdens de winterperiode 2013-2014 steeg dus tegenover de vorige winterperiodes . Toch blijft het aantal toekenningen van de ‘minimale’ levering  bedroevend laag. Zo’n 27 232   gezinnen hebben een aardgasbudgetmeter,  2.784  ontvingen een beperkte toelage.(2)

De stijging van het aantal toelagen concentreert zich voornamelijk in een beperkt aantal OCMW’s die voluit gaan voor het systeem.

Een van de grootste knelpunten waardoor het aantal aanvragen en toekenningen zo klein is ,heeft met de bekendheid van deze maatregel te maken. Uit het werk van ‘t  participatief beleidsproject ‘Energie en Armoede’ van Samenlevingsopbouw Antwerpen provincie i.s.m. verenigingen waar armen het woord nemen blijkt dat heel veel mensen in armoede niet op de hoogte zijn van deze maatregel.
Ook de Vereniging van Vlaamse steden en gemeenten heeft in een recent rapport gesteld dat de maatregel onvoldoende gekend is. Hierdoor is de toegang tot deze maatregel onvoldoende gegarandeerd.

In samenwerking met verenigingen waar armen het woord nemen en andere relevante sociale actoren kunnen de lokale OCMW’s deze maatregel beter bekend maken. De communicatie gebeurd het best op maat van de belevingswereld van mensen in armoede. Verenigingen waar armen het woord nemen en buurtwerkingen spelen ook een belangrijke rol in het dedecteren van verborgen (energie)armoede.
Het OCMW zou ook zelf actief op zoek kunnen gaan naar alle mensen die hun budgetmeter voor aardgas tijdens de wintermaanden niet kunnen opladen.

Via de knipperlichtprocedure zijn de OCMW’s  op de hoogte van iedereen die hun budgetmeter voor aardgas niet kan opladen. Het OCMW zou , gebruikmakend van deze lijst, met iedereen contact kunnen opnemen en hen zo een ‘minimale’ levering  aardgas ter beschikking kunnen stellen .
Het argument dat dit te zwaar zou doorwegen op de OCMW-begroting klopt niet. Het OCMW kan 70% van het uitgekeerde bedrag terugvorderen bij de netwerkbeheerder. De overige 30 % van het bedrag kan het OCMW betalen met geld van het federaal energiefonds. Uiteindelijk is het uitkering  van de ‘minimale ‘ levering aardgas zelf dus een budgetneutrale maatregel. 

De distributienetbeheerder kan een dossier voor de lokale adviescommissie ( LAC )  brengen met de vraag om een afnemer van gas of elektriciteit af te sluiten.

In 2013 werden 32.659 dossiers betreffende nutsvoorziening elektriciteit naar de LAC doorgestuurd en 27.919 werden effectief behandeld. In de loop van 2013 waren er 1.150 afsluitingen na advies LAC.

In Leuven zijn in 2013 bij 19 huishoudens de stroombegrenzer uitgeschakeld na een LAC-beslissing. Verder werden 3 huishoudens afgesloten van elektriciteit na een LAC-beslissing omdat ze hun afbetalingsplan wegens redenen niet konden nakomen. (2)
Betreffende aardgas werden er in 2013 zo’n  22.625  dossiers naar de LAC doorgestuurd en19.525 werden effectief behandeld.   (1)
In 2013 werden er in Leuven zo’n 223 dossiers behandeld door de LAC betreffende nutsvoorziening aardgas. (3)


(1)Bron cijfers: http://www.vreg.be/sites/default/files/rapporten/rapp-2014-7_0.pdf
(2)Bron cijfers: participatief project ‘ Energie en Armoede’ van Samenlevingsopbouw  i.s.m. verenigingen waar armen het woord nemen.
(3)Bron cijfers : http://www.vreg.be


1.3. Toegang tot water.

Water is levensnoodzakelijk. Iedereen heeft water nodig om te drinken, om eten klaar te maken, voor je kleren te wassen, om jezelf te kunnen wassen, enz….
Meer en meer mensen in België ervaren sociale uitsluitingen op het vlak van toegang tot nutsvoorziening water. Een groeiend aantal mensen hebben problemen met het betalen van hun 3 maandelijkse voorschotfacturen en hun eindfacturen. Meer en meer mensen moeten een afbetalingsplan aanvragen.



In 2009 werden 791 gezinnen afgesloten. In 2010 waren dat 2362 gezinnen. In 2011 waren er dit 4 497. In 2012 nam het aantal huishoudens die werden afgesloten verder toe. In heel Vlaanderen werden in 2012 ongeveer 5073 huishoudens afgesloten van het openbaar waterdistributienetwerk omdat ze de rekening niet konden betalen : 1589 afsluitingen in Antwerpen, 69 afsluitingen in Leuven, 69 afsluitingen in Kortrijk, 68 afsluitingen in Oostende, 55 afsluitingen in Gent, 45 afsluitingen in Mechelen, 38 afsluitingen in Turnhout, 35 afsluitingen in Roeselare , 20 afsluitingen in St-Niklaas, 18 afsluitingen in Brugge, 9 afsluitingen in Aalst, 7 afsluitingen in Genk , enz. Een duidelijke stijging tegenover 2011. (4)

 Verwacht wordt dat dit door de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen nog verder zal toenemen. Deze dwingende cijfers vragen om een krachtdadiger armoedebeleid dat armoede en sociale uitsluiting aanpakt en niet de armen. Bijkomende structurele maatregelen zoals bijkomende sociale maatregelen op de watermarkt en een verhoging van de sociale uitkeringen en de minimumlonen tot boven de Europese armoedegrens zijn meer dan ooit nodig.

(4) Bron cijfers: www.netwerktegenarmoede.be


2.Oorzaken energie – en waterarmoede.

Energie – en waterarmoede is een complexe problematiek dat zit ingebed in een bredere armoedesituatie.
Mensen in armoede ervaren  sociale uitsluitingen met structurele oorzaken op de levensdomeinen huisvesting en  energie en water , inkomen en tewerkstelling, maatschappelijke dienstverlening, onderwijs, gezondheidszorg, enz….



Hierdoor hebben mensen in armoede  een  inkomen  ( hetzij uit werk of een sociale uitkering ) dat zich onder de Europese armoedegrens bevindt. Door deze onzekere inkomenssituatie moeten mensen onderaan de sociale ladder vaak pijnlijke keuzes maken en worden ze geconfronteerd met de opbouw van overlevingsschulden ( huur, elektriciteit , verwarming, gezondheidszorg, …) Ook mensen met een inkomen net boven de Europese armoedegrens hebben meer en meer problemen met de betaling van de facturen voor huur , elektriciteit, gas, water,enz.

Een groeiend aantal mensen  kunnen hun facturen bij de commerciële energieleverancier niet meer betalen of moeilijk betalen en moeten een afbetalingsplan  aanvragen. De commerciële energieleveranciers mogen eenzijdig beslissen of ze een afbetalingsplan toestaan en mogen ook zelf het maandelijkse afbetalingsbedrag kiezen. Dit zorgt vaak voor onrealistische afbetalingsplannen.
Door de onzekere inkomenssituatie , de sociale uitsluiting en de complexiteit van een leven in armoede moeten mensen soms moeilijke keuzes maken en kunnen ze niet altijd het afgesproken afbetalingsplan nakomen. Als huishoudelijke afnemers hun afbetalingsplan niet nakomen, dan mogen commerciële energieleveranciers het contract stopzetten .

Door sociale uitsluiting vinden huishoudelijke afnemers vaak moeilijk een nieuwe commerciële energieleverancier en komen ze bij de netwerkbeheerder terecht , waar de prijs hoger ligt dan de gemiddelde prijs op de commerciële  energiemarkt. Ook bij de netwerkbeheerders voor elektriciteit  en gas vragen meer en meer mensen een afbetalingsplan aan. Wanneer mensen bij de netwerkbeheerder hun afbetalingsplannen niet kunnen nakomen worden ze geconfronteerd met de plaatsing van een budgetmeter voor elektriciteit en/of aardgas.


Voor mensen (in armoede) die verwarmen via elektriciteit is huisvesting een grote oorzaak van energiearmoede.

Maatschappelijk kwetsbare mensen wonen  in sociale woningen of private huurwoningen die tot het onderste segment van de private huurmarkt behoren. Deze woningen ( vooral op de private huurmarkt) vertonen vaak structurele gebreken op het gebied  van woonkwaliteit. De structurele gebreken die kunnen voorkomen zijn : groezelige en slecht verlichte gangen, te kleine huisvesting, versleten raamwerk, enkel glas, slecht sluitende vensters , tochtende vensters , rottend raamwerk, vochtplekken , schimmel op muren, het binnen sijpelen van water via het plafond/dak als het regent, slechte isolatie, elektrocutiegevaar, gevaar voor CO-vergiftiging, enz…….
Deze structurele tekorten op het gebied van woonkwaliteit  zorgen ervoor dat het meer energie vraagt om de ruimtes warm te krijgen.

Mensen in armoede wonen vaak in wooneenheden waar er verwarmt wordt op elektriciteit , wat de elektriciteitsfactuur enorm doet oplopen.

Bovendien zitten we met een degressieve tarifering : hoe meer je verbruikt , hoe minder je voor een kWh elektriciteit betaalt. Mensen in armoede moeten noodgedwongen veel energie gebruiken omdat ze heel vaak, vooral op de private huurmarkt , in woningen wonen die structurele gebreken vertonen op het gebied van woonkwaliteit en verwarmen ook met elektriciteit. Maar de echte grote verbruikers zijn de mensen helemaal bovenaan de sociale ladder. Zij verbruiken het meeste energie. Cijfermateriaal van de VREG toont dit heel duidelijk aan. Of anders gezegd : de echte grootverbruikers, de rijken, betalen minder per kWh elektriciteit dan mensen in armoede en de middenklassers . Qua Mattheüseffect kan dit tellen.

Op het vlak van water zijn er eerder beperkte sociale maatregelen.
 
3. De Vlaamse en federale regering en de bestrijding van energiearmoede.

3.1. Afschaffing gratis kWh elektriciteit en gratis hoeveelheid water.

De gratis kWh elektriciteit en de gratis hoeveelheid water wordt afgeschaft vanaf 1januari 2016. De gratis KWh elektriciteit maakt deel uit van de sociale openbare dienstverplichtingen ( sociale maatregelen ) op de energiemarkt. ( zie 1.2.2 )


De N-VA heeft voorspelt dat ze dit wilde doen .

Op zondag 01/12/2013 zat Liesbeth Homans ( N-VA) in de studio van de 7de dag . Het asociale karakter van de N-VA werd heel snel duidelijk.

Liesbeth Homans ( N-VA) verklaarde  geen voorstander te zijn van een BTW-verlaging op elektriciteit , maar wilde niet direct zeggen hoe N-VA de elektriciteitsfactuur wil laten dalen. Na herhaaldelijk vragen door de moderator werd het duidelijk. N-VA wil de elektriciteitsfactuur laten dalen door het nemen van structurele maatregelen en wil snoeien in de sociaal openbare dienstverplichtingen ( sociale maatregelen) op de elektriciteitsmarkt. Dit heeft ze toen in bedekte termen gezegd en in het verleden al verscheidende keren openlijk gezegd. Bovendien staat dit ook in een dossier van de N-VA aangaande het thema energie. Volgens Homans ( N-VA) verzwaart dit ( de sociale openbare dienstverplichtingen) behoorlijk de elektriciteitsfactuur.

Hier neemt Homans een loopje met de werkelijkheid. Zoals Homans ongetwijfeld weet bestaat de totale elektriciteitsfactuur uit een aantal elementen : (1) de eigenlijke prijs elektriciteit die de commerciële energieleverancier of de netwerkbeheerder aanrekent (2) Heffingen door de netwerkbeheerders ( onderhoud netwerk, heffingen pensioenlasten medewerkers netwerkbeheerders, financiering sociale openbare dienstverplichtingen , groene stroomcertificaten , financiering beleid rationeel energieverbruik, enz) . (3) Heffingen door Fluxis/Elia . (4) Federale heffingen ( nucleair fonds, financiering CREG, financiering sociaal fonds, sociale klanten, enz.) . (5) Heffing BTW.
Als we kijken naar de kost van de sociale openbare dienstverplichtingen , dan stellen we vast dat de totale kost van de sociale openbare dienstverlening ( sociale maatregelen) slechts 3 tot 5 % is van het bedrag dat de netwerkbeheerders aanrekenen.

Stellen dat de sociale maatregelen een van de grote redenen is dat de elektriciteitsfactuur zo hoog is , klopt dus niet.

3.1.1. Naar een basisrecht op elektriciteit en water.

Waar de menselijke waardigheid serieus onder druk komt te staan , moeten we dus bijkomende structurele maatregelen durven nemen. In die zin ben ik absoluut tegen de afschaffing van de gratis kWh elektriciteit en de gratis hoeveelheid water.

 Ik sta volledig achter het standpunt van het participatief project ‘ Energie en Armoede ‘ van Samenlevingsopbouw Antwerpen i.s.m. met verenigingen waar armen het woord nemen en het Netwerk tegen Armoede ( de koepelorganisatie van Vlaamse en Brusselse verenigingen waar armen het woord nemen) die zeggen dat de gratis kWh elektriciteit en gratis hoeveelheid water moet behouden worden en zelf verder uitgebouwd moet worden.

We moeten gaan naar een grondrecht op energie en water en een gegarandeerd basispakket elektriciteit , gas en water dat mensen in staat stelt om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.  Een grondrecht op energie en water zorgt ervoor dat je alle toekomstige wetgeving daaraan moet aftoetsen.

De toegang tot nutsvoorzieningen elektriciteit , gas en water kan gegarandeerd worden via een basispakket energie en water. Dit basispakket energie en water moet voldoende groot zijn , zodat de basisbehoeften gedekt zijn.  Dit basispakket moet voor iedereen gelden , dus ook voor mensen met een naakte budgetmeter voor elektriciteit ( een budgetmeter waar de 10 ampère functie is uitgehaald) en voor mensen die volledig zijn afgesloten.

De gratis kWh elektriciteit en  gratis hoeveelheid water is momenteel de maatregel die het dichtst in de buurt komt van een algemeen basispakket energie en water, maar is onvoldoende. De  huidige gratis kWh elektriciteit en gratis hoeveelheid water is een eerste stap.

Het systeem van de gratis KWh elektriciteit en water is een eenvoudige en glasheldere maatregel die praktisch iedereen ( soms worden er gevallen opgetekend dat de gratis hoeveelheid water en elektriciteit niet in mindering wordt gebracht. Dan moet dit worden rechtgezet) bereikt. Verder bouwen op deze maatregel zou dus zeer slim beleid zijn.

Als dit huidige systeem versterkt wordt , dan kunnen we gaan naar een volwaardig basispakket energie en water dat mensen in staat stelt om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

We moeten dus niet gaan naar de afschaffing van dit systeem, maar net naar een versterking ervan.
Daarnaast moet er samen met het Netwerk tegen armoede , Samenlevingsopbouw , mensen in armoede , sociale uitsluiting en maatschappelijke kwetsbaarheid en andere relevante actoren een emancipatorisch en krachtgericht beleid uitgetekend worden dat maatschappelijk kwetsbare mensen versterkt en de structurele uitsluitingsmechanismen op de verschillende levensdomeinen wegwerkt.


2.2. De energiescan.



Het najaar van 2014 was een stresserende periode voor de energiesnoeiers in Vlaanderen. In de week van 17 oktober ( internationale dag van verzet tegen armoede ) maakte Vlaams minister van energie Annemie Turtelboom  ( Open VLD) bekend dat ze de subsidiëring van de energiescan schrapt .

In het Vlaamse regeerakkoord , p 87, kan je het volgende lezen over de energiescan : p 87: “De middelen voor de energiescan worden geheroriënteerd naar maatregelen die energiearmoede aan de bron aanpakken, met een sterke operationele rol voor sociaal economieprojecten.”

Deze passage   in het Vlaamse  regeerakkoord zorgde voor onrust in de sector. Toch was het vreemd dat  Annemie  net dan besliste om de financiering van de methodiek energiescan stop te zetten. Ze , en bij uitbreiding de voltallige Vlaamse regering, nam immers  een beslissing dat geheel in tegenspraak was met de beleidsnota energie.

“We zetten deze legislatuur in op een doorgedreven structurele aanpak gericht op verlaging van het energieverbruik via de versterkte ondersteuning van de uitvoering van energiebesparende maatregelen. De middelen voor de energiescan worden geheroriënteerd naar maatregelen die energiearmoede aan de bron aanpakken, met een sterke operationele rol voor sociaal economieprojecten. Voor de begroting 2015 financier ik via de openbare  dienstverplichting bij de distributienetbeheerders de energiesnoeiers. Ik maak werk van de in het regeerakkoord afgesproken heroriëntering van het beleid om de energiearmoede aan de bron aan te pakken. Ik garandeer hierbij de volledige tewerkstelling in de sector van de sociale economie (huidige 255 plaatsen) in de energiesector. Conform het regeerakkoord realiseer ik dit door onder andere de versterking van het programma sociale dakisolatie. In de loop van 2015 laat ik de werkzaamheden van de energie-snoeibedrijven, en de energiesnoeiers monitoren. De monitoring en bijhorende analyse zal ik aan de Vlaamse regering bij het opstellen van de begroting 2016 voorleggen. “

Een van de belangrijkste reden waarom ze de financiering van de energiescan schrapte was omdat bij 20% van de woningen waar een energiescan gebeurde structurele energiebesparende maatregelen genomen werden. Dit vond Annemie Turtelboom te weinig.

Bij 1 op 5 gebeurde er meer structurele ingrepen op het vlak van energiezuinigheid van de woning. Dit kan ongetwijfeld – mits het nemen van de juiste ondersteuningsmaatregelen –verhoogd worden. Toch leefde bij de energiescanprojecten , het Netwerk tegen Armoede en het beleidsproject ‘Energie en Armoede’ van Samenlevingsopbouw het gevoel dat Annemie Turtelboom voorbij ging aan hoe complex het is om bij  maatschappelijk kwetsbare mensen te komen tot structurele energiebesparende maatregelen aan de woningen waar ze in wonen.

Maatschappelijk kwetsbare mensen ervaren immers tal van structurele drempels om te komen tot structurele energiebesparende maatregelen. Ondanks specifieke financiële ondersteuningsmaatregelen , waaronder de Vlaamse energielening ( de vroegere FRGE-lening) , blijft de financiële drempel enorm. Bovendien huren heel wat mensen in armoede. De verhuurder moet dan akkoord gaan voor er structurele maatregelen kunnen genomen worden.  Vaak worden er ook in sociale huisvesting en appartementen op tussenverdiepingen een energiescan gedaan .

Met deze schrapping dreigde het doek te vallen over de energiesnoeiers en de interessante methodiek die ze gebruiken. De energiescan is een interessante methodiek om te werken aan energie – en waterbesparing  en energiearmoede bij maatschappelijk kwetsbare mensen.  Daarnaast is het ook tewerkstelling  voor mensen met een grote(re) afstand tot de reguliere arbeidsmarkt.  Zo zorgden de energiescans in 2014 over heel Vlaanderen voor een tewerkstelling van 276 personen.

Na luid protest en gedragen beleidsbeïnvloeding van Komosie (de koepelorganisatie van milieuondernemers in de  sociale economie ) , het Netwerk tegen Armoede ( de koepelorganisaties van alle verenigingen waar armen het woord nemen in Vlaanderen en Brussel ) en het project ‘Energie en Armoede’ van Samenlevingsopbouw  kwam Annemie Turtelboom en bij uitbreiding de gehele Vlaamse regering terug op de beslissing en tekenen ze een beleid uit conform hun eigen beleidsnota energie.

Voorlopig is de subsidiëring van de methodiek energiescan gegarandeerd  tot eind 2015. Ondertussen wordt er een evaluatie opgestart. De resultaten hiervan gaan meegenomen worden tijdens de begrotingsbesprekingen in de schoot van de Vlaamse regering eind 2015.

Het voortbestaan van de methodiek energiescan blijft dus onduidelijk, dit terwijl de methodiek energiescan een belangrijke schakel is in de detectie en bestrijding van energiearmoede.
Energiearmoede maakt deel uit van een bredere complexe armoedesituatie. Mensen in armoede ervaren sociale uitsluitingen met structurele oorzaken op verschillende levensdomeinen. De sociale uitsluitingen die veel mensen in armoede ervaren zijn dezelfde, wat verschilt is hoe ze hiermee om gaan. Ieder persoon in armoede gaat , vertrekkende vanuit hun binnenkant , op een andere manier om met deze structurele uitsluitingsmechanismen. Sommigen vinden in deze onrechtvaardigheden de kracht om verder te gaan , anderen trekken zich na de zoveelste kwetsende ervaring terug om verdere kwetsuren te vermijden. Er is dus een wisselwerking tussen structurele uitsluitingsprocessen op maatschappelijk en institutioneel niveau en het persoonlijke niveau. Dit maakt dat armoedebestrijding complex is.

We moeten resoluut gaan voor een emancipatorisch, krachtgericht en participatief sociaal beleid dat mensen versterkt en de structurele uitsluitingsmechanismen wegwerkt. Het bestrijden van armoede en sociale ongelijkheid vraagt een participatief en krachtgericht armoedebeleid dat de sociale uitsluitingen benoemt en aanpakt , grondrechten garandeert, de binnenkant ( de belevingswereld) van mensen in armoede respecteert en vertrekkende vanuit de krachten, vaardigheden en overlevingsstrategieën van mensen in armoede samen met hen duurzame stappen vooruit zet.

We moeten dus werken op het individuele , institutionele en structurele niveau. Krachtgericht werken met mensen ( individueel niveau ) is enorm belangrijk, maar dit mag nooit een excuus zijn om geen structurele maatregelen te nemen om de (re)productiemechanismen van armoede aan te pakken.
De methodiek energiescan werkt op het persoonlijke niveau , maar heeft ook een zeer belangrijke signaalfunctie naar het beleid toe. Het versterkt mensen  en identificeert de structurele uitsluitingsmechanismen die energiearmoede veroorzaken.

2.3. Structurele energiebesparende maatregelen .

De stijgende energiearmoede en  de wereldwijde  klimaatverandering plaatsen de Federale , de Gewestelijke  en de gemeentelijke overheden en ons allemaal voor enorme uitdagingen. Het verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen en de structurele  woonkwaliteit is een enorm belangrijk aspect bij het preventief werken rond energiearmoede.


De nieuwe Vlaamse regering wil investeren in structurele energiebesparende maatregelen , dit om energiearmoede te bestrijden. Het nemen van structurele energiebesparende maatregelen is cruciaal in de strijd tegen energiearmoede.

De Vlaamse regering gaat dit doen door verder te bouwen op de bestaande initiatieven. Verder is het FRGE deelstaatmaterie geworden en is omgetoverd tot de Vlaamse energielening. Dit is een bijkomend instrument in de strijd van energiearmoede.

Het is echter niet zo gemakkelijk om bij maatschappelijk kwetsbare eigenaars en huurders te komen tot structurele energiebesparende maatregelen. Maatschappelijk kwetsbare mensen ervaren immers tal van structurele drempels om te komen tot structurele energiebesparende maatregelen. Ondanks specifieke financiële ondersteuningsmaatregelen , waaronder de Vlaamse energielening ( de vroegere FRGE-lening) , blijft de financiële drempel enorm. De 'split incentive' maakt dat de verhuurder niet wil investeren in energiebesparende maatregelen omdat die investering geen terugverdieneffect heeft. De huurder wil geen energiebesparende investeringen doen omdat de huurwoning niet zijn eigendom is. Het gevolg is een ernstige onderinvestering in de energetische kwaliteit van vele huurwoningen. Niet alle eigenaar-verhuurders zijn trouwens kapitaalkrachtig genoeg om serieuze structurele energiebesparende investeringen te doen.



De Vlaamse overheid  zou een groots en ambitieus woningvernieuwingsprogramma moeten opzetten. Dit woonvernieuwingsprogramma – dat idealiter een looptijd moet kennen van minimaal tien jaar en een sterke impuls zal inhouden voor de bouwsector en energie-innovatieve bedrijven in Vlaanderen – dient zich te richten op de zwakste segmenten van de Vlaamse woningmarkt, zowel op de sociale als de private huurmarkt. Er moet verder oog zijn voor de eventuele knelpunten en weerstandsmechanismen die eigenaar ervaren bij het participeren aan dit ambitieus woningvernieuwingsprogramma.  Voor maatschappelijk kwetsbare eigenaars zijn doorgedreven maatgerichte vormen van trajectbegeleiding en voorfinanciering en derde betalersysteem  logica van het grootste belang. Het beleidsdocument ‘Naar een ambitieus beleid inzake energie en woonkwaliteit in Vlaanderen’ en ‘ Energiebesparende maatregelen op de private huurmarkt’ van Samenlevingsopbouw kunnen inhoudelijke richtinggevers zijn.

Samenlevingsopbouw en het Netwerk tegen Armoede bepleit sterk de uitbreiding van het model van het Sociaal Verhuurkantoor (SVK). Het patrimonium van de SVK’s steeg de voorbije drie jaar met 30%. De SVK’s beheren nu 6401 woningen oftewel ongeveer 1,4 % van de private huurmarkt. Door verder in te zetten op SVK’s maak je de private huurmarkt toegankelijk voor maatschappelijk kwetsbare mensen. Als je als eigenaar uw wooneenheid verhuurt via een SVK dan word je –indien nodig- volledig begeleid bij het nemen van energiebesparende maatregelen.




 Bronnen:

http://www.samenlevingsopbouw-antwerpenprovincie.be/nl/welkom_1.aspx
www.netwerktegenarmoede.be
http://www.komosie.be/ko/home_10.aspx
Beleidsnota Energie Vlaamse regering.

zondag 15 februari 2015

De Vlaamse en federale regering : armoedebestrijding of armoedecreatie, deel 1.


1.Armoede, inkomensongelijkheid en maatschappelijke kwetsbaarheid in cijfers: Inkomen  en tewerkstelling.

1.1. Inkomensongelijkheid .

Armoede, sociale uitsluiting en maatschappelijke kwetsbaarheid is en blijft een groot probleem. Alle indicatoren staan op rood. De inkomensongelijkheid neemt verder toe.
De laatste cijfers van EU-SILC ( European Union –Statistics on Income and Living Conditions) vertellen ons dat in 2013  ongeveer 15,3 % van de bevolking in België moest leven met een inkomen onder de Europese armoedegrens.

Dit betekent dat 1 op 7 of ongeveer 1.656.800 personen in België in armoede leven of een zeer groot risico hebben om in armoede terecht te komen. (1)

Een groeiend aantal mensen zijn( tijdelijk) aangewezen op een leefloon of equivalent leefloon ( leefgeld). Het aantal mensen in België dat in het traject maatschappelijke integratie zitten, steeg in 2013 tot ruim 105 000 mensen. De meerderheid van hen kreeg een leefloon . In 2012 werden maandelijks gemiddeld 95.352 leeflonen uitgekeerd. In de eerste acht maanden van 2013 liep dat aantal op tot gemiddeld 98.213. Dat is liefst een derde meer dan tien jaar geleden. (2)

Werkloosheid neemt verder toe. Na twee jaren van daling is het aantal werklozen in België vorig jaar met 3,6 procent gestegen tot 432.484. De stijging was het sterkst bij jongeren in Vlaanderen. (3)

Vanaf 01 november 2012 werd in België de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen van kracht, een maatregel van de federale regering Di Rupo 1.  Vroeger was er al een beperkte degressiviteit voor samenwonenden , deze werd nu versterkt en uitgebreid . Hoe snel iemands werkloosheidsuitkering daalt, hangt af van hoelang hij/zij gewerkt heeft voor de periode van werkloosheid. Wie minder dan vijf jaar aan het werk was, ziet het bedrag al na een jaar en twee maanden dalen, anderen pas na twee jaar. Vanaf dan gaat het bedrag om de zes maanden omlaag, en dat maximaal vier keer. Werkzoekenden zien hun werkloosheidsuitkering uiteindelijk dalen tot een forfaitbedrag. Deze minimumuitkeringen zijn nauwelijks hoger dan het leefloon en zakken dus  onder de Europese armoedegrens. Een aantal groepen zijn vrijgesteld van deze versterkte degressiviteit in de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen.

Naast de werkloosheidsuitkering , is ook de wachtuitkering ( nu inschakelingsuitkering) hervormt. De toegang tot de inschakelingsuitkering ( de vroegere wachtuitkering)  is verstrengt . Bovendien is de inschakelingsuitkering in de tijd beperkt tot 3 jaar. Vanaf januari 2015 driegen 23 000 werkzoekenden  uitgesloten te worden van hun recht op uitkeringen door de hervorming van de inschakelingsuitkering .

Het centrum voor sociaal beleid berekende eind 2013 het effect van deze maatregel ( de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen) op het vlak van armoederisico.

Het globale armoederisico bij volledige werkloosheid zou na de hervorming sneller en sterker toenemen met de duur van de werkloosheid: na 61 maanden zou het 28,0% bedragen (in plaats van 21,5% vóór de hervorming). De verhoogde armoederisico’s worden opgetekend voor alle gezinscategorieën. De toename is echter vooral opvallend voor de alleenstaanden: na 61 maanden bedraagt die 71,9% (in plaats van 11,7%), een stijging van 60,2 procent punt. Voor gezinshoofden bedraagt de stijging ‘slechts’ 5 procent (naar 66,1%), maar vóór de hervorming lag hun armoederisico dan ook al erg hoog (61,0%). Het armoederisico bij samenwonenden neemt 2 procentpunt toe (van 15,6% naar 17,1%). (4)

Met zijn 3,5 % arme werknemers scoort België in vergelijking met de rest van de Europese Unie redelijk goed. Onze hoge minimumlonen spelen hier een belangrijke rol. Het vrij lage Belgische percentage dient men echter te nuanceren. In absolute cijfers behoren zo’n 220.000 mensen tot de groep van arme werknemers, wat hoger is dan het aantal leefloners.  Het officiële cijfer onderschat ook de niet-geregistreerde arbeid, waar sommige van de meest kwetsbaren een toevlucht toe zoeken om te overleven. Bovendien geeft het enkel een indicatie van de financiële armoede, terwijl de armoedeproblematiek zoveel meer is  dan inkomen alleen. (4)

Tussen 1990 en 2009 zagen de 30% armsten hun aandeel in de nettobelastbare inkomens dalen (van 11,2% naar 8,3%), terwijl de 10% rijksten hun aandeel zagen toenemen (van 27,3% naar 31,9%).
Waar het vermogen van de 10 rijkste procent Belgen in 1998 50 keer zo groot was als dat van de armste 10, is dat nu 735 keer zo groot. De inkomensongelijkheid en de inkomensspanning is dus enorm gestegen. De inkomens in ons land zijn ongelijk verdeeld en de afstand tussen arm en rijk was nooit groter. (5)

Meer dan 120 miljoen mensen, bijna één op de vier Europeanen, loopt het risico op armoede of sociale uitsluiting. Dat blijkt uit cijfers over 2013 die Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie, heeft bekendgemaakt . (6)

Op wereldvlak is het zelf nog erger . Oxfam bracht onlangs cijfers naar buiten waaruit bleek dat de 85 rijkste mensen in de wereld evenveel bezitten als de armste 3,5 miljard mensen in de wereld. Dat cijfer werd recentelijk aangepast. Nu zouden de rijkste 67 mensen hetzelfde hebben als de armste helft van de mensheid. (6)


(1)Bron cijfers : www.armoedebestrijding.be                                                                                                        
(2)Bron cijfers : FOD Maatschappelijke Integratie.                                                                                              
(3)Bron cijfers: www.rva.be                                                                                                                                       
(4)Bron cijfers : www.armoedebestrijding.be                                                                                                     
(5)Bron cijfers : ‘De schande en de keerzijde - over armoede en ongelijkheid’ , van Jos Geysels en Erik Vlaminck.                                                                                                                                                                    
(6)Bron cijfers : www.11.be

1.2. De buitenkant van armoede , sociale uitsluiting en maatschappelijke kwetsbaarheid.

“Armoede is een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan. Het scheidt de armen van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving. Deze kloof kunnen ze niet op eigen kracht overbruggen.” ( Vranken, Geldof 1998 :33 )

De woorden van Jan Vranken en Dirk Geldof tonen ons dat kansarmoede een complex probleem is.
(Kans)armoede is een complex probleem dat wordt gekenmerkt door onvoldoende inkomen om in uw basisbehoeften te voorzien, zoals degelijke huisvesting, toegang tot elektriciteit, verwarming en water, gezondheidszorg, gezonde voeding, enz… .

Maar armoede mag zeker niet louter gezien worden als een gebrek aan geld .
Mensen in armoede ervaren sociale uitsluitingen met structurele oorzaken op de levensdomeinen huisvesting en energie ( elektriciteit, gas en water) , inkomen en tewerkstelling, maatschappelijke dienstverlening, onderwijs, gezondheidszorg, rechtspraak, vrije tijdsparticipatie, enz….Problemen op één levensdomein beïnvloeden en versterken de moeilijkheden op andere levensdomeinen en veroorzaken op zich nieuwe  sociale uitsluitingen.

Onze samenleving wordt gekenmerkt door uitsluitingsmechanismen die armoede (re)produceren. Vaak komt hier nog bij dat beleid vaak de omgekeerde herverdeling versterkt, met groeiende inkomensongelijkheid en armoede tot gevolg.

1.3. De binnenkant van armoede , sociale uitsluiting en maatschappelijke kwetsbaarheid.

Er is ook een binnenkant van armoede . Dit vertelt ons iets over hoe mensen in armoede zich voelen en omgaan met hun leven in armoede .

Langdurig leven in armoede en sociale uitsluiting, creëert kwetsuren, die slechts heel langzaam genezen. Het zorgt ervoor dat mensen het gevoel hebben dat ze de greep op hun eigen leven verliezen. Ze hebben het gevoel dat ze mislukt zijn in het leven.

Mensen in armoede worden tweederangsburgers en voelen zich ook zo. Ze worden er dagelijks op gewezen niet mee te tellen, dingen niet te kunnen en te kennen, waardeloos te zijn. Dit vertaalt zich in gevoelens van schuld en schaamte, de armoedespiraal wordt een individueel verhaal en uiteindelijk leidt dit tot een opgeven, een 'het kan me niks meer schelen'.

Mensen in generatiearmoede lopen vaak al in hun vroegste kinderjaren kwetsuren op .Generatiearme ouders hebben dezelfde wensen en dromen voor hun kinderen . Een leven in armoede zorgt echter voor heel wat stress, maakt mensen kwetsbaarder voor psychische aandoeningen en legt een enorme druk op de gezinsrelaties. Hierdoor kunnen generatiearme kinderen opgroeien in een gezin waar er een gebrek kan zijn aan veiligheid, liefde en affectie. Voldoende liefde, affectie, geborgenheid en veiligheid is belangrijk voor de psychologische, cognitieve, motorische en sociale ontwikkeling van een kind en voor de ontwikkeling van een basisvertrouwen in zichzelf, andere mensen en de wereld.
De buiten  - en binnenkant van armoede kan er voor zorgen dat generatiearme ouders er moeilijk toe komt hiervoor te zorgen, waardoor generatiearmen al in hun vroegste levensjaren kwetsuren kunnen oplopen.

Deze gekwetste binnenkant van mensen in armoede kan ervoor zorgen dat ze moeilijk aansluiting vinden met zichzelf , anderen en de bredere samenleving.

2. De maatregelen van de Vlaamse regering Bourgeois en de federale regering Michel.


2.1. Sociale uitkeringen.


De federale regering moet op het moment van de opmaak van het regeerakkoord en de eerste draft van de begroting 11,2 miljard euro zoeken om de begroting op orde te brengen. Zo'n 72, 1% daarvan wilt Michel 1 doen via besparingen. De sociale zekerheid is de grootste slachtoffer. De nieuwe federale regering wilt tegen 2019 ongeveer 5,2 miljard euro snoeien in de sociale zekerheid.                                 


De vorige federale regering ( Di Rupo 1 ) heeft – te midden van een structureel tekort aan voldoende jobs – de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen ingevoerd. Hierdoor zakken voor een groeiende groep langdurig werklozen hun uitkering (verder) onder de Europese armoedegrens. Verder kwam er een beperking in de tijd van de inschakelingsuitkering tot  3 jaar. Hierdoor dreigen volgens de RVA in 2015 ruim  23 000 mensen hun inschakelingsuitkering ( de vroegere wachtuitkering) te verliezen.

Deze federale regering gaat – te midden dezelfde socio-economische situatie- nog een stap verder . Deze federale regering schrapt in de inschakelingsuitkeringen door het invoeren van diplomavereisten voor mensen tot 21 jaar en door de leeftijd dat je zo’n uitkering kunt aanvragen te verlagen van 30 naar 25j. Het zullen de maatschappelijk meest kwetsbare mensen zijn die hier het hardste door getroffen wordt. Bovendien zorgt dit voor een verschuiving van het probleem van het sociaal zekerheidssysteem naar het systeem van recht op maatschappelijke integratie , waar het leefloon deel van uitmaakt. M.a.w. een verschuiving richting het OCMW. Er wordt immers verwacht dat een deel van hen zal moeten aankloppen  bij het OCMW.

De kopstukken van de CD&V zeggen dat zij hèt sociale gezicht zijn van de nieuwe federale regering. Ze zeggen regelmatig  dat de nieuwe federale regering de sociale uitkeringen gaat verhogen. Ook N-VA pakt hiermee uit. Wie het federaal regeerakkoord echter aandachtig leest , moet vaststellen dat er een addertje onder het gras zit. Ik citeer even letterlijk uit het regeerakkoord:

“ De regering verhoogt geleidelijk de minimum sociale zekerheidsuitkeringen en sociale bijstandsuitkeringen tot het niveau van de Europese armoededrempel. Hierbij wordt prioritair gegeven aan de uitkeringen voor personen met de hoogste armoederisico. De sociale voordelen die met sommige uitkeringen gepaard gaan , zullen worden meegeteld in de vergelijking met de Europese armoedenorm. “

Dit roept vragen op omdat bij de berekening van de Europese armoedenorm de sociale voordelen die mensen ontvangen niet worden meegeteld bij hun inkomen.

M.a.w het is dus nog een grote open vraag of de sociale uitkeringen daadwerkelijk zullen  verhoogd  worden tot de Europese armoedegrens. Nochtans  zijn sociale uitkeringen met de Europese armoedegrens als ethische ondergrens meer dan ooit nodig.

De laatste maanden werden er conflicterende signalen uitgezonden op het vlak van al dan niet verhogen van sociale uitkeringen. Sommige uitkeringen zouden beperkt verhoogt worden , andere sociale uitkeringen zouden degressief worden gemaakt en dus dalen.

Recentelijk kondigde federaal minister van werk Kris Peeters ( CD&V) trots aan dat de laagste sociale uitkeringen de komende 2 jaar  met 3 % omhoog gaan. Maar aangezien  de indexsprong ook voor sociale uitkeringen geldt , zouden ze maar met 1% stijgen.

Uiteindelijk kwam er duidelijkheid met het akkoord van de groep van 10 , waar de werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties een akkoord hebben gesloten betreffende de sociale uitkeringen en beperkte loonstijging na de loonblokkering . Uit dit akkoord blijkt dat de laagste sociale uitkeringen ( leefloon , laagste werkloosheidsuitkeringen, enz….) zouden stijgen met 2%. De oudste pensioenen zouden met 1% stijgen en de minimumpensioenen met 2,3%.


Een leefloon voor een alleenstaande is 817 euro per maand. Dit zou betekenen dat het leefloon voor een alleenstaande mogelijk zou stijgen met 16,43 euro per maand . Het leefloon blijft dan met 833,34 euro nog steeds ver beneden de Europese armoedegrens.

Rekening houdend met de eerder opgelijste maatregelen , vrees ik dat die zeer beperkte stijging een  druppel op een gloeiend hete plaat zal zijn  die al opgedroogd gaat zijn voor ze de plaat heeft bereikt. Bovendien , als de indexsprong plaatsvindt , dan verliezen de mensen met een sociale uitkering ( en mensen met een inkomen uit werk) 2%  van hun inkomen, waardoor het terug naar af is. Zonder die 2% stijging  zou het nog erger zijn , maar je kunt dit moeilijk een duurzame vooruitgang noemen, integendeel. Sterker nog , het is een  vestzak-broekzakoperatie. Het is onduidelijk of er later in de regeerperiode nog een inhaaloperatie gebeurd wat de sociale uitkeringen betreft.

Na twee jaar blokkering  gaat er nu ook opnieuw een zeer kleine marge zijn voor loonstijging, deels bruto (0.5%), deels netto (0.3%). Sectoren en bedrijven moeten dit verder invullen. Ook hier, als de indexsprong plaatsvindt is het terug naar af.

Verder  wordt er een federaal kader uitgewerkt voor de invoering van een gemeenschapsdienst voor langdurig werkzoekenden, uitgevoerd in een samenwerkingsakkoord met de Gewesten.  De voorgestelde vorm van verplichte  gemeenschapsdienst legt het verrichten van arbeid op als tegenprestatie voor het recht op het ontvangen van een werkloosheidsuitkering. Dit gaat echter voorbij aan het feit dat het recht op werkloosheidsuitkeringen door arbeidsprestaties is verworven en dat de regelgeving inzake beschikbaarheid al plichten oplegt. Het is ook in tegenstelling met de wijze waarop de gewestelijke diensten activeringstrajecten voor maatschappelijk kwetsbare (vaak langdurige) werklozen uitvoeren. Inspraak van de betrokkenen is daarin een belangrijk element én blijkt een cruciale factor te zijn voor het welslagen van de trajecten. Tot slot , kan verplichte gemeenschapsdienst voor langdurige werklozen oneerlijke concurrentie zijn voor betaalde arbeidscontracten.

De Inkomensgarantieuitkering (IGU) voor deeltijds werkenden met het statuut van behoud van rechten (de zogenaamde onvrijwillig deeltijdse werknemers) wordt hervormd. Na 2 jaar deeltijds werken, wordt deze toeslag met 50% verminderd. Deze maatregel zal vooral vrouwen treffen , die meer dan mannen deeltijds werken.

De nieuwe federale  regering schoof eerder  haar doorkijktaks of Kaaimantaks als nieuwe vermogensfiscaliteit naar voren. Het is de vorige regering die in de zomer van 2013 al een doorkijktaks goedkeurde als anti-fraudemaatregel. De ‘Kaaimantaks’ is niet meer dan een verlengstuk van de al besliste aangifteplicht van buitenlandse vermogens die bijvoorbeeld in stichtingen verstopt zitten. Een anti-fraudemaatregel van de vorige regering verkopen als een nieuwe vermogensbelasting, da’s wel heel straf.

Het blijft enorm onzeker of deze federale regering een vermogenswinstbelasting die naam waardig gaat invoeren. De verwachtingen op dit vlak zijn niet echt hoog gespannen. Er worden op dit vlak bijzonder tegenstrijdige signalen uitgezonden. Nochtans is een eerlijke rechtvaardige fiscaliteit meer dan ooit nodig.

3. Maatschappelijk kwetsbare mensen, activeringsbeleid en tewerkstelling.

3.1. Werkloosheid en kwetsbaarheid op de arbeidsmarkt.

Werkloosheid neemt verder toe. Na twee jaren van daling is het aantal werklozen in België vorig jaar met 3,6 procent gestegen tot 432.484. De stijging was het sterkst bij jongeren in Vlaanderen. (7)
Mensen die al over een ongunstige arbeidsmarktpositie beschikten zijn tijdens de laatste decennia er verder op achteruitgegaan .

Het jongste rapport van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid bevestigt dit: over de periode 1998-2011 werd de werkgelegenheid voor laaggeschoolden, die een hogere werkloosheidsgraad kennen dan midden- en hoger geschoolden, minder stabiel. Laaggeschoolden zijn oververtegenwoordigd in de bedrijfstakken die de afgelopen jaren aanzienlijk zijn geherstructureerd.

 Zij ondervinden meer moeilijkheden om arbeidsovereenkomsten voor onbeperkte duur in de wacht te slepen omdat uitzendarbeid en tijdelijke contracten bij hen sneller toegenomen zijn dan in de andere scholingsgroepen.

Naast het beschikken over een kortdurig contract worden nog heel wat werknemers geconfronteerd met andere precaire arbeidsvoorwaarden: lage lonen, onvrijwillige deeltijdse jobs, sterk atypische en intensieve werkuren (regelmatig weekend werk, lange werkuren, variabele en onderbroken werkroosters ...), zware of ongezonde arbeidsomstandigheden, hoge werkdruk, weinig doorgroeikansen en inspraak  ... De meest kwetsbare werknemers combineren meestal verschillende precaire arbeidsvoorwaarden; die combinatie is typisch voor een job van lage kwaliteit. Zij blijven vaak ook hangen in dergelijke jobs, in afwisseling met periodes van werkloosheid. Sinds kort is in België ook een synthetische maat voor precaire werkgelegenheid beschikbaar, die onder andere samengesteld is uit de genoemde factoren. De totale precariseringsgraad blijkt 26,4% te bedragen. (8)

Met zijn 3,5 % arme werknemers scoort België in vergelijking met de rest van de Europese Unie redelijk goed. Onze hoge minimumlonen spelen hier een belangrijke rol. Het vrij lage Belgische percentage dient men echter te nuanceren. In absolute cijfers behoren zo’n 220.000 mensen tot de groep van arme werknemers, wat hoger is dan het aantal leefloners. Het officiële cijfer onderschat ook de niet-geregistreerde arbeid, waar sommige van de meest kwetsbaren een toevlucht toe zoeken om te overleven. Bovendien geeft het enkel een indicatie van de financiële armoede, terwijl de armoedeproblematiek zoveel meer is  dan inkomen alleen. (8)

3.2. Het activeringsbeleid in Vlaanderen.

Het activeringsbeleid in Vlaanderen wordt voor een groot deel gestuurd door het beleid in de EU, nl de Lisabonstrategie. De Lisabonstrategie legde vanaf de jaren 2000 een dubbele aanpak op: een hogere werkgelegenheidsgraad en een ‘ activerende’ sociale bescherming.

Inzake de werkgelegenheidsgraad was het de bedoeling om tegen 2010 te komen tot een werkgelegenheidsgraad van 70%.


Sindsdien mikt de Strategie Europa 2020 op een werkgelegenheidsgraad van 75% bij de bevolking tussen de 20 en de 64 jaar. Om deze doelstelling te bereiken , streeft de EU ernaar om de arbeidskosten in te perken, de werkgevers voldoende bewegingsvrijheid te geven op het vlak van aanwerving en ontslag, het stimuleren van (om)scholing van werknemers en het activeren van werklozen. Deze dubbele aanpak werd nog versterkt door de herziening van de Europese werkgelegenheidsstrategie ( EWS) in 2003, die ertoe aanspoorde om de toegang en het behoud van werkloosheidsuitkeringen aan nog strengere voorwaarden te onderwerpen. Terwijl de strategie initieel ook nog de nadruk legde op de creatie van kwaliteitsvolle jobs, werd dit kwalitatieve aspect nu aan de kant geschoven . De EWS zette dus vanaf dan alleen nog  in op ontwikkeling van jobaanbod, (om)scholing en activering van werklozen , loonmatiging en flexibiliteit.

De VDAB volgt in Vlaanderen bepaalde groepen werkzoekenden op en begeleid hen op zoek naar werk of een opleiding. Als de VDAB het gevoel heeft dat de werkzoekende niet voldoende meewerkt kan de VDAB het dossier doorverwijzen naar de RVA die de werkzoekende verder opvolgt. Wanneer de ’facilitator’ van de RVA na het eerste gesprek besluit dat de werkloze onvoldoende inspanningen heeft geleverd, wordt een contract met verbintenissen en concrete acties opgesteld. Indien de beoordeling van de naleving van dit contract negatief uitvalt tijdens het tweede gesprek, dan krijgt de werkloze een gedeelte van zijn werkloosheidsuitkering voor een bepaalde periode niet uitbetaald .

Het sanctionerende deel zit momenteel nog bij de RVA. In de nabije  toekomst zal dit echter verhuizen naar de VDAB, zoals afgesproken in de 6de staatshervorming.

Een activeringsbeleid kan kansen creëren voor werklozen en zorgt voor aansluiting bij de arbeidsmarkt en de bredere samenleving .Het huidige activeringsdiscours focust  echter te eenzijdig op betaald , fulltime  tewerkstelling. Deze eenzijdige invulling van activering  dreigt meer en meer een uitsluitingsmechanisme te worden voor maatschappelijk kwetsbare mensen .

We moeten vaststellen dat er bij relatief meer mensen uit kansengroepen een transmissie van het dossier van de VDAB naar de RVA plaatsvindt, met een verhoogde kans op schorsing als gevolg. Vooral laaggeschoolden hebben hogere transmissiekansen. Vaak zien we dat niet een gebrek aan motivatie, maar welzijnsgerelateerde problemen aan de grondslag liggen van de redenen van transmissie en eventuele sanctie.

Het activeringsbeleid in Vlaanderen wordt voor een groot deel gestuurd door het beleid in de EU, nl de Lisabonstrategie. De Lisabonstrategie legde vanaf de jaren 2000 een dubbele aanpak op: een hogere werkgelegenheidsgraad en een ‘ activerende’ sociale bescherming.
Vanuit  de Strategie Europa 2020 en  de Europese werkgelegenheidsstrategie is er een  ‘ make work pay’ –beleid  ( MWP) ontwikkeld. MWP vertrekt vanuit het principe dat belasting – en uitkeringsstelsels een negatieve invloed uitoefenen op arbeidsmarktdeelname. Vanuit deze invalshoek moeten de loonkost en de werkloosheidsuitkeringen dus verlaagd worden.


(7)Bron cijfers : www.rva.be                                                                                                                                                           
(8)Bron cijfers : www.armoedebestrijding.be


3.3.De federale en Vlaamse regeerakkoorden over activeringsbeleid.

De grote uitgangspunten van het activeringsbeleid blijven dezelfde . Dit terwijl ik in ‘3.2. Het activeringsbeleid in Vlaanderen.’  een aantal knelpunten betreffende dit systeem naar voren heb geschoven.

Een activeringsbeleid kan kansen creëren voor werklozen en zorgt voor aansluiting bij de arbeidsmarkt en de bredere samenleving .Het huidige activeringsdiscours focust  echter te eenzijdig op betaald , fulltime  tewerkstelling. Deze eenzijdige invulling van activering  dreigt meer en meer een uitsluitingsmechanisme te worden voor maatschappelijk kwetsbare mensen. We zouden het eenzijdige activeringsbeleid daarom moeten ombuigen tot een sociaal participatiebeleid, met meer dan ooit begeleiding op maat. Een sociaal participatiebeleid vertrekt vanuit de krachten van maatschappelijk kwetsbare mensen , garandeert (grond)rechten, werkt de structurele drempels weg en bied kansen om te experimenteren en te leren via vormen van werk, opleiding en vrijwilligerswerk. Dit alles kan bewerkstelligd worden via het structureel verankeren van zorgtrajecten, de versterking van contactdienstverlening ( werkwinkels) voor mensen met een grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt, versterking van de sociale economie  en krachtgerichte begeleiding, ook als het niet meteen lukt.

Het regeerakkoord maakt geen melding van de werk- en welzijnstrajecten voor mensen in armoede. Verenigingen waar armen het woord nemen vragen nochtans al lang naar een structurele verankering van deze trajecten. De werk- en welzijnstrajecten  zijn een voorbeeld van  een ‘brede’ of ‘positieve’ activering die zich niet beperkt tot toeleiding naar de arbeidsmarkt maar de realisatie van grondrechten voor ogen heeft.

Wat betreft het controleluik van het activeringsbeleid pleit de Vlaamse regering voor een versterking van de controle op de beschikbaarheid. In overleg met de federale overheid wil ze het  de regelgeving inzake passende dienstbetrekking, actief zoekgedrag, administratieve controle en sancties verfijnen.
Het is hier absoluut belangrijk dat er een armoedetoets gebeurt voor de nieuwe regelgeving wordt geïmplementeerd . Ze wordt verder best vormgegeven in samenspraak met maatschappelijk kwetsbare mensen en hun verenigingen, dit om te vermijden dat er een nieuw uitsluitingsmechanisme wordt geïnstalleerd.

 Bij de controle van het actief zoekgedrag en administratieve controle dient men meer rekening te houden met armoedesituaties die het zoeken naar werk juist bemoeilijken. Het federale activeringsplan heeft immers tot een toenemend aantal sancties geleid, in de eerste plaats bij de maatschappelijk meest kwetsbare werklozen. Een aanzienlijk deel van hen moest daarna aankloppen bij het OCMW voor een leefloon, met groeiende armoede, sociale  uitsluiting en maatschappelijke kwetsbaarheid tot gevolg.

Voor 55-plussers wordt de activering uitgebreid tot de leeftijd van 65, rekening houdend met de capaciteiten van de VDAB en de arbeidsmarktsituatie.

De Vlaamse regering heeft recentelijk het doelgroepenbeleid hervormt. Nu worden alleen nog ondersteunende maatregelen voorzien voor jongeren , 55-plussers en personen met een arbeidshandicap. Allochtonen worden niet meer opgenomen in het doelgroepenbeleid, dit terwijl de werkloosheid onder allochtonen een groot probleem is en blijft.


De Vlaamse Regering heeft een akkoord bereikt over de hervorming van werkplekleren en de overgangsmaatregelen.

De huidige WEP+-maatregel wordt verlengd tot 30 september 2015. Nieuwe instroom van werkzoekenden kan nog tot 31 maart 2015. Deze instroom aan nieuwe werkzoekenden valt nog onder het huidige systeem, met de huidige voorwaarden.
Vanaf 1 juli 2015 tot 31 december 2015 zal de VDAB de werkzoekenden in een tijdelijke subsidieregeling toeleiden, waarbij de leerwerkbedrijven instaan voor begeleiding en werkplekleren gebruikt wordt om hen tewerk te stellen in het normale economische circuit. Deze werkzoekenden zullen gedurende hun traject naar werk het statuut van werkzoekende behouden. Het gaat om 2500 werkzoekenden.

Vanaf 1 januari 2016 zal VDAB een overheidsopdracht starten, waarop naast de leerwerkbedrijven ook externe partners kunnen intekenen. De sociale economieprojecten vrezen dat hiermee de deur wordt opengezet voor privatisering.

4.Armoedebestrijding en de federale en Vlaamse regering.

Nog niet alles is duidelijk. De federale en Vlaamse regering kondigt sociale correcties aan. Waar die gebeuren en hoeveel budget daarvoor wordt vrijgemaakt is zeer onduidelijk.

Als we met de bril van mensen in armoede, sociale uitsluiting en maatschappelijke kwetsbaarheid  naar de regeerakkoorden, de beleidsnota en de aangekondigde maatregelen kijken , dan moeten we vaststellen dat ze op het vlak van armoedebestrijding vooral vertrekken vanuit het individueel schuldmodel.

Dit model legt de oorzaak van ( langdurige ) werkloosheid en armoede  bij het individu: door hun luiheid, omdat ze niet willen studeren en willen werken, een gebrek aan verantwoordelijkheid en doorzettingsvermogen, enz. Het deelt de mensen  op in ‘deserving’ werkloze en arme en ‘non-deserving’ werkloze en arme: zij die het verdienden om geholpen te worden en zij die het aan uw eigen hebben te danken en dus niet verdienen om geholpen te worden.

Dit individueel schuldmodel stigmatiseert mensen in armoede en  werkzoekenden en minimaliseert en/of ontkent de knelpunten en sociale uitsluitingen met structurele oorzaken die een groeiend aantal mensen ervaren op tal van levensdomeinen.

Dit is wat we net niet moeten hebben.

Armoedebestrijding is een complex iets. Mensen in armoede ervaren sociale uitsluitingen met structurele oorzaken op verschillende levensdomeinen. De sociale uitsluitingen die veel mensen in armoede ervaren zijn dezelfde, wat verschilt is hoe ze hiermee om gaan. Ieder persoon in armoede gaat , vertrekkende vanuit hun binnenkant , op een andere manier om met deze structurele uitsluitingsmechanismen. Sommigen vinden in deze onrechtvaardigheden de kracht om verder te gaan , anderen trekken zich na de zoveelste kwetsende ervaring terug om verdere kwetsuren te vermijden. Er is dus een wisselwerking tussen structurele uitsluitingsprocessen op maatschappelijk en institutioneel niveau en het persoonlijke niveau. Dit maakt dat armoedebestrijding complex is.

We moeten resoluut gaan voor een emancipatorisch, krachtgericht en participatief sociaal beleid dat mensen versterkt en de structurele uitsluitingsmechanismen wegwerkt. Het bestrijden van armoede en sociale ongelijkheid vraagt een participatief en krachtgericht armoedebeleid dat de sociale uitsluitingen benoemt en aanpakt , grondrechten garandeert, de binnenkant ( de belevingswereld) van mensen in armoede respecteert en vertrekkende vanuit de krachten, vaardigheden en overlevingsstrategieën van mensen in armoede samen met hen duurzame stappen vooruit zet.

De regeringen   versterken echter verder de omgekeerde herverdeling , met groeiende armoede, inkomensongelijkheid en maatschappelijke kwetsbaarheid tot gevolg.

De N-VA , de grootste partij in zowel de federale als Vlaamse regering, ging naar de verkiezing met onder andere dat de overheidsmiddelen van sociaal beleid moeten terechtkomen bij zij die het echt nodig hebben. Wel, wat dit concreet in de praktijk voor de  federale regering betekend is duidelijk: inkomen afpakken van de maatschappelijk kwetsbare mensen en de middenklasse en meer inkomen geven aan de rijken. Of anders gezegd: afpakken van zij die het echt nodig hebben en geven aan zij die het niet nodig hebben.